zaterdag, januari 31, 2026

De middenklasse krijgt van Jetje

Wat was de slogan van D66 ook alweer? ‘Laat iedereen vrij, maar niemand vallen.’ Het klonk warm, sociaal en geruststellend. Maar wie het nieuwe coalitieakkoord leest, ziet iets anders gebeuren. Het is een akkoord van drie partijen, maar D66 tekende er zonder veel aarzeling voor.

De pensioen-/ AOW-leeftijd gaat verder omhoog. Het eigen risico wordt verhoogd. Benzine wordt steeds duurder. Dat zijn ingrepen die  vooral het dagelijks leven van mensen met een modaal inkomen raken. Daar komt bij dat koopkrachtverlies, woonlasten en transitiebeleid via hogere energie- en mobiliteitskosten ook vooral worden afgewenteld op mensen die net te veel verdienen om geholpen te worden. De middenklasse, die werkt, belasting betaalt en zelden ergens voor in aanmerking komt, krijgt de rekening gepresenteerd.

Blijkbaar geldt ‘niemand laten vallen’ alleen voor wie officieel als zielig genoeg wordt aangemerkt. Wie gewoon zijn best doet en net boven alle grenzen uitkomt, mag het opvangen. Onder Rob Jetten krijgt de middenklasse van Jetje, letterlijk en figuurlijk.


 

Afbeelding: gegenereerd door AI

vrijdag, januari 30, 2026

Ammouliani: een kattenhel waar niemand welkom is

Ammouliani, het kleine eiland tegenover Ouranoupolis aan de rand van Athos (Chalkidiki), maakte op mij geen mooie indruk. Het was kaal, rommelig, onaf. Zelfs de weg ernaartoe bevestigde dat gevoel. De boot die je naar het eiland brengt, is eenvoudig, zo’n boot waarbij je het gevoel krijgt dat je zelf matroos bent. Vanaf Tripiti, een kale aanlegplek waar niets is behalve asfalt en een gammele taverna, vaar je in ongeveer tien minuten naar de overkant. Geen havenstad, geen dorp, geen welkom. Je staat daar te wachten in de hitte, tussen beton en leegte, alsof je per ongeluk op de verkeerde plek bent beland. Dat gevoel verdween niet bij aankomst.

Eeuwenlang was Ammouliani bezit van het klooster Vatopedi. Het eiland diende als landbouwgebied. In 1925 veranderde dat abrupt. Het eiland werd afgestaan aan de Griekse staat en toegewezen aan orthodoxe vluchtelingen uit Klein-Azië (Turkije). Mensen die alles waren kwijtgeraakt, moesten hier opnieuw beginnen, op een plek zonder voorzieningen. Die geschiedenis van ontworteling en improvisatie is nooit echt verdwenen; ze zit nog altijd in de structuur van het eiland. Vandaag wonen er ongeveer vijfhonderd tot zeshonderd mensen permanent op Ammouliani. In de zomer groeit dat aantal door toeristen en dagjesmensen.

Wat me al snel bevreemdde, was een ervaring in de plaatselijke kerk. In Griekenland ben ik gewend dat je een kerkdienst altijd kunt binnenlopen. Je komt wanneer je wilt, steekt een kaarsje aan, schuift ergens aan. Je bent welkom. Op Ammouliani gebeurde het tegenovergestelde. We liepen een kerk binnen terwijl er een dienst gaande was en alle hoofden draaiden tegelijk onze kant op. De blikken waren vijandig, gesloten. Het was druk en de deuropening werd letterlijk geblokkeerd door mensen die geen centimeter opzij gingen. We stonden daar, zichtbaar ongewenst. Het voelde als een vijandige, gesloten gemeenschap, iets wat ik nooit eerder heb meegemaakt in Griekenland.

Wat zich in de kerk aftekende, bleek geen losstaand moment. In Griekenland zijn overal zwerfkatten. Meestal hebben ze het niet heel goed, maar ook niet uitzichtloos. Wat ik op Ammouliani zag, was echter geen idyllische kattenkolonie en ook geen tijdelijk probleem. Het was een kattenhel. Ziekte, honger en misvormingen waren geen uitzonderingen, maar onderdeel van het straatbeeld. Katten met ontstoken ogen, vergroeide lichamen, dieren die nauwelijks konden lopen of eten. Het was schokkend. Ik probeerde een van hen een kattensnoepje te geven. Het dier stikte bijna. Niet uit gulzigheid, maar omdat het nauwelijks nog een slokdarm leek te hebben. Dat moment staat in mijn geheugen gegrift. Dit was systemisch lijden. Het deed me vermoeden dat er meer speelde dan alleen verwaarlozing. Op eilanden wordt vaak rattengif gebruikt tegen ongedierte en katten worden daar onbedoeld (of bedoeld?) slachtoffer van. Dat zou kunnen verklaren waarom de katten er op Ammouliani zo gruwelijk aan toe waren.

Tegen die achtergrond kreeg ook die kerkervaring betekenis. De gesloten houding, het blokkeren van de deur, het niet-wijken voor iemand die binnen wil komen. Ik begon me af te vragen of het hier niet alleen ging om katten, maar om een bredere houding tegenover wat lastig is, wat zorg vraagt, wat niet in het gewenste beeld past. Wie te veel is. Wie niet welkom is. Ik heb daar geen sluitend antwoord op.

Juist daarom viel één plek mij in het bijzonder op. Direct naast de aanlegplaats van de veerboot, bij het eerste restaurant aan de kade, liepen twee katten rond. Gezond, rustig, goed verzorgd. Ze hoorden bij het terras, bij de (vriendelijke) mensen. Het contrast met de rest van het eiland had niet groter kunnen zijn. 

Ammouliani is voor mij geen vakantie-eiland geworden en ook geen plek waar ik graag naar terug zou gaan. Het is een plek waar lagen over elkaar heen liggen: een monastiek verleden, een vluchtelingenverleden, een kleine vaste (vijandige) gemeenschap, seizoensgebonden toerisme en een schrijnend kattenprobleem. De katten zijn daarin geen detail, maar een symptoom.

Wat Ammouliani nodig heeft, is een stukje medemenselijkheid en vooral dierenartsen. Daar hoort ook iets fundamentelers bij: stoppen met het gebruik van rattengif of andere middelen die katten langzaam en onzichtbaar vergiftigen en het besef dat deze katten geen overlast vormen, maar levende wezens zijn die lijden. Zolang vergiftiging wordt getolereerd en weggekeken van de zielige hoopjes ellende die je in elke straat tegenkomt, blijven misvormingen en sterfte onderdeel van het straatbeeld. 

Op het dorpsplein staat in grote letters “I am Ammouliani”, bedoeld om je even onderdeel te laten voelen van deze plek. Maar na wat ik hier heb gezien, kan ik dat niet zeggen. Ik bén Ammouliani niet en wil het ook niet zijn. 


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.

dinsdag, januari 20, 2026

Hoe slecht is onze topografische kennis eigenlijk? Zelfs TUI raakt de weg kwijt in Griekenland

Het is niet best gesteld met de topografische kennis van jongeren in Nederland. Uit een onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs in 2022-2023 blijkt dat er sprake is van een middelgrote tot grote daling in de topografische kennis. Dat is op zich al zorgelijk, maar het wordt pas echt spannend als zo iemand later bij TUI gaat werken. 

Een van deze leerlingen, waarschijnlijk die met de grote daling in kennis, kreeg bij TUI de opdracht om de Griekenlandvakanties samen te stellen en op de TUI-website te plaatsen. Het gevolg is dat als je naar Panormos op Kalymnos wilt, je naar Heraklion (Kreta) vliegt. Dat is maar liefst 535 kilometer en 17 uur varen op een veerboot verder. Gelukkig kun je een transfer bijboeken.Wie bij TUI boekt, krijgt er soms gratis een cursus eilandhoppen bij. Vakantiegevoel gegarandeerd, maar niet helemaal volgens plan.

Toevallig ben ik vaak op Kalymnos geweest en dan vlieg je naar Kos, dat praktich om de hoek ligt. Toch is de verwarring bij de TUI-medewerker een klein beetje te begrijpen. Het gaat hier om Kastelli Studios en Apartments in Panormos. En ja, Panormos en Kastelli bestaan allebei zowel op Kalymnos als op Kreta. Dat gebeurt in Griekenland voortdurend. Kijk maar eens hoeveel eilanden een plaats hebben die Chora heet. Niet zo vreemd, want Chora betekent simpelweg ‘dorp’.

Als je vakanties samenstelt voor duizenden reizigers, mag je hopen dat iemand even op de kaart kijkt. Moraal van het verhaal: vertrouw niet blind op TUI, maar check altijd of je accommodatie echt op het eiland ligt waar je heen wilt. Anders begint je Griekse eilanddroom heel avontuurlijk… op het verkeerde eiland.


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.


woensdag, januari 07, 2026

Een oorlog naast de oorlog

 

Oorlogen spelen zich zelden nog alleen af op het slagveld. Ook conflicten die zich duizenden kilometers verderop afspelen, kunnen diepe emoties oproepen in steden ver weg, woede, verdriet, solidariteit en scherpe polarisatie. Dat geldt niet alleen voor één specifieke oorlog, maar voor vrijwel elk hedendaags conflict dat via digitale media onze levens binnenkomt. De manier waarop oorlog wordt gemedieerd bepaalt hoe wij hem voelen, begrijpen en er positie in kiezen. 

            De mediatisering van het conflict tussen Israël en Gaza

Waarom roept een oorlog op duizenden kilometers afstand zoveel woede, verdriet en polarisatie op in Amsterdam, Londen of New York? Het antwoord ligt in de mediatisering van het conflict tussen Israël en Gaza. Sociale media transformeren dit conflict van een regionale oorlog tot een wereldwijd emotioneel spektakel. Actor-Network Theory helpt te begrijpen hoe mensen en technologie samen handelen.[1] Het Four A's-model van Lewis en Westlund (2015) – actoren, actanten, activiteiten en publiek – maakt zichtbaar hoe deze digitale netwerken opinies vormen en emoties mobiliseren.[2]

De belangrijkste actoren zijn niet alleen soldaten en politici, maar iedereen die het conflict online zichtbaar maakt. Palestijnse en Israëlische burgers delen video's van bombardementen of van hun dagelijkse leven. Journalisten proberen nieuws te verifiëren terwijl de berichtenstroom sneller is dan ooit. Influencers en diaspora-gemeenschappen gebruiken hun platforms om solidariteit te mobiliseren. Een Palestijnse vader die zijn gewonde kind vasthoudt, een Israëlische moeder die in een schuilkelder zit, zij worden via sociale media tot gezichten van het conflict. Mensen wereldwijd voelen zich verbonden met slachtoffers.

De actanten (platforms, algoritmen en technologieën) zijn cruciaal in dit proces. TikTok, Instagram en X bepalen via hun algoritmen welke beelden miljoenen mensen bereiken. Deze algoritmen zijn niet neutraal: ze laten vooral content zien die emotionele reacties oproept, omdat emotie leidt tot meer likes, shares en dus meer betrokkenheid. Een schokkend beeld van een verwoeste school krijgt meer zichtbaarheid dan een genuanceerd nieuwsartikel. Hashtags zoals #Gaza of #StandWithIsrael groeperen berichten en creëren digitale kampen. Smartphones maken het mogelijk om oorlog in real time te delen. Deze technologieën bepalen niet alleen wat zichtbaar is, maar ook hoe mensen emotioneel reageren.

De activiteiten vormen het hart van de emotionele verspreiding. Mensen posten, delen, liken en taggen, maar deze handelingen zijn meer dan informatie-uitwisseling. Een gedeelde video is een moreel statement, een like een vorm van solidariteit. Wanneer een video van een huilende vader die zijn dochters verloor viraal gaat, gebeurt dit omdat het algoritme emotionele content versterkt. De video wordt gedeeld zonder context, zonder verificatie, maar met maximale emotionele impact. Gebruikers voelen directe woede of verdriet en willen hun positie tonen. Elke share vergroot de reikwijdte en mobiliseert meer mensen. Zo ontstaat een kettingreactie waarin emoties wapens worden in een digitale oorlog om aandacht en morele superioriteit.

Het publiek is geen passieve ontvanger, maar wordt actief gemobiliseerd. Miljoenen mensen wereldwijd reageren emotioneel op beelden die hen via algoritmen bereiken. Ze ervaren een directe emotionele schok die tot actie aanzet. Iemand in Europa kan via zijn telefoon live meekijken met een bombardement en voelt zich genoodzaakt positie te kiezen. Algoritmen versterken dit door vooral content te tonen die aansluit bij bestaande overtuigingen: Palestina-supporters zien vooral Palestijns leed, Israël-supporters vooral Israëlische slachtoffers. Het publiek reageert niet alleen online: digitale emoties leiden tot demonstraties, economische boycots en politieke druk op regeringen. Nieuwsorganisaties en politici passen hun berichtgeving en standpunten aan op basis van wat online trending is, waardoor het publiek indirect invloed uitoefent.

De vier categorieën van het Four A’s-Model (actoren, actanten, activiteiten en publiek) hangen nauw samen en versterken elkaar continu. Actoren gebruiken actanten om emotionele content te produceren. Algoritmen selecteren en versterken die content. Activiteiten verspreiden het verder. Het publiek reageert emotioneel en deelt opnieuw, waardoor nieuwe content ontstaat. Een soldaat die weet dat zijn video viraal kan gaan, kiest bewust voor schokkende beelden. Een algoritme dat vooral emotionele content toont, vergroot polarisatie. In dit netwerk is macht verdeeld tussen mensen en technologie: een individuele burger kan met één smartphone-video meer impact hebben dan een traditioneel nieuwsmedium.

Deze mediatisering verklaart waarom het conflict wereldwijd zoveel emoties oproept. Sociale media brengen oorlog in de woonkamer, maar niet objectief, ze tonen vooral wat emotioneel raakt. Algoritmen zijn ontworpen om betrokkenheid te maximaliseren, niet om context of nuance te bieden. Hierdoor ontstaat een versimpeld, gepolariseerd beeld waarin ruimte voor twijfel of grijstinten verdwijnt. Beelden circuleren sneller dan verificatie mogelijk is.

De Actor-Network Theory heeft beperkingen: het verklaart goed hoe alles samenhangt, maar zegt weinig over wie verantwoordelijk is. Wie controleert de algoritmen? Wie verdient aan polarisatie? In een conflict waarin platformbedrijven geld verdienen aan beelden van dode kinderen, zijn dat cruciale vragen die het model niet beantwoordt.

De oorlog tussen Israël en Gaza toont hoe diep mediatisering is doorgedrongen: emoties worden gemobiliseerd door netwerken van mensen en machines. De Actor-Network Theory maakt zichtbaar dat deze emotionele impact geen toeval is, maar het resultaat van hoe algoritmen werken. In digitale oorlog zijn gevoelens wapens geworden en technologie bepaalt welke emoties het hardst raken.


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.



[1] Bruno Latour, Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network Theory (Oxford 2005) 63-86.

[2] Seth Lewis en Oscar Westlund, 'Actors, Actants, Audiences, and Activities in Cross-Media News Work', Digital Journalism 3 (2015) 19-37.

 

woensdag, december 10, 2025

De mythe van de denkende machine

 

Sinds de opkomst van kunstmatige intelligentie duikt steeds dezelfde vraag op: kan een computer denken? Die vraag, die al in de twintigste eeuw door filosofen als John Searle werd gesteld, klinkt nog altijd door in het debat over AI. In zijn bekende Chinese-kamerargument beschreef Searle een persoon die volgens vaste regels Chinese tekens verwerkt, zonder de betekenis te begrijpen (Searle 1980). Daarmee liet hij zien dat een computer wel symbolen kan verwerken, maar geen echt begrip heeft. 

De vraag of computers kunnen denken is misschien niet de juiste vraag. Kunstmatige intelligentie is namelijk niet in de eerste plaats een vorm van denken, maar van communicatie. Als je kijkt naar de geschiedenis van media en communicatie, dan is kunstmatige intelligentie niet iets compleet nieuws of revolutionairs. Het is meer een volgende fase in een lang proces dat al veel eerder is begonnen. Al heel lang proberen mensen namelijk manieren te bedenken om communicatie met behulp van technologie te regelen en te verbeteren. AI past in die lange traditie van technische ontwikkelingen op het gebied van communicatie (Bory, Natale & Trudel, 2021).

Dit essay onderzoekt in hoeverre de vraag of een computer kan denken een misvatting is, omdat kunstmatige intelligentie fundamenteel een communicatief, niet-cognitief fenomeen is. Om dat te begrijpen wordt gebruikgemaakt van twee mediahistorische perspectieven. Het intermediale perspectief van Balbi en Magaudda laat zien hoe AI voortkomt uit eerdere communicatietechnologieën (Balbi & Magaudda 2018). Het evolutionaire perspectief van Scolari helpt te begrijpen hoe AI zich ontwikkelt binnen patronen van opkomst, dominantie en verandering (Scolari 2013). Hierdoor wordt duidelijk dat AI minder over denken gaat en meer over hoe menselijke communicatie zich blijft ontwikkelen.

Intermediaal perspectief

Vanuit het intermediale perspectief kan kunstmatige intelligentie worden gezien als onderdeel van een netwerk van oude en nieuwe communicatietechnologieën. Balbi en Magaudda benadrukken dat elke zogenaamde digitale revolutie niet uit het niets ontstaat, maar altijd voortbouwt op eerdere media. Nieuwe technologieën nemen functies, vormen en betekenissen over van hun voorgangers en veranderen die geleidelijk. Dit betekent dat we AI niet moeten zien als iets compleet nieuws, maar als een voortzetting van een veel oudere ontwikkeling. Bory, Natale en Trudel (2021) stellen dat de geschiedenis van AI tot nu toe te vaak is verteld als een verhaal over denken, terwijl het eigenlijk over communicatie zou moeten gaan. Zij betogen dat AI begrepen moet worden als onderdeel van de bredere geschiedenis van media en communicatie. AI is niet iets radicaal nieuws, maar een volgende stap in een lange ontwikkeling waarin mensen communicatie technisch proberen te organiseren.

Deze ontwikkeling is al eeuwen bezig. Denk aan de telegraaf die taal omzette in code of de telefoon die stemgeluid omzette in elektrische signalen. Ook de computer is een medium dat tekst, beelden en getallen samenbrengt in één digitaal systeem (Manovich 2001). Elke nieuwe technologie bouwt voort op wat eerder bestond. AI zet deze lijn voort door menselijke communicatiepatronen na te bootsen en te automatiseren. Binnen dat netwerk van media wordt duidelijk dat AI niet denkt, maar communiceert. De systemen waarmee we vandaag werken - zoals chatbots, spraakassistenten en tools die beelden genereren - functioneren als een verbinding tussen mensen en data. Ze bootsen menselijke communicatievormen na, maar begrijpen die niet werkelijk, precies zoals Searle beschreef in zijn Chinese kamer (Searle 1980). Een chatbot kan een gesprek voeren zonder te begrijpen wat de woorden betekenen. Een spraakassistent reageert op commando's zonder te weten wat ze uitvoert.

AI-systemen verwerken symbolen volgens regels en patronen die zijn afgeleid uit bestaande mediavormen, zoals schrift, spraak en beeld (Bory, Natale & Trudel 2021). Wat wordt aangeduid als 'intelligentie' is eigenlijk een nieuwe combinatie van communicatiepatronen die al eeuwenlang bestaan. De systemen leren van miljoenen voorbeelden van menselijke communicatie en reproduceren die patronen in nieuwe situaties. Daarmee creëren ze de illusie van begrip.

Vanuit dit perspectief wordt duidelijk dat de vraag of een computer kan denken, te eng is geformuleerd. De vraag suggereert dat AI vergelijkbaar is met menselijk denken, terwijl het eigenlijk gaat om het nabootsen van communicatie. AI is niet een breuklijn tussen mens en machine, maar een nieuwe schakel in de evolutie van media die de communicatie herstructureert. Wat wij als kunstmatige intelligentie beschouwen, is dus minder een cognitieve dan een intermediale innovatie: een netwerk van oude en nieuwe mediavormen waarin menselijke betekenisproductie technisch wordt nagebootst en hervormd.

Evolutionair perspectief

Volgens het evolutionaire perspectief van Scolari (2013) kunnen mediatechnologieën worden begrepen als levende systemen die zich ontwikkelen via patronen van opkomst, groei, overheersing en transformatie. Nieuwe media ontstaan niet plotseling, maar uit aanpassingen en combinaties van bestaande vormen. Wanneer een medium dominant wordt, verdringt het oudere technologieën niet volledig, maar neemt het hun functies over of verandert hun rol. Dit proces noemt Scolari co-evolutie: media beïnvloeden elkaar en passen zich samen aan binnen een groter ecosysteem.

Kunstmatige intelligentie past goed binnen dat model. In de eerste fase, die Scolari emergentie noemt, ontwikkelde AI zich in de jaren vijftig en zestig als een theoretisch onderzoeksveld. Wetenschappers probeerden toen denken om te zetten in logische regels en symbolen. Margaret Boden beschrijft in haar studie AI: Its Nature and Future (2016) hoe deze vroege systemen gebaseerd waren op de hoop dat menselijke cognitie volledig kon worden nagebootst in formele taal. AI was daarmee verwant aan eerdere media die symbolische communicatie automatiseerden, zoals schrift en telecommunicatie.

In de tweede fase, die overeenkomt met dominantie, werd AI zichtbaar en toepasbaar. Vanaf de jaren negentig, met de opkomst van personal computers, internet en grote hoeveelheden digitale data, begon kunstmatige intelligentie zich te verweven met het dagelijks leven. De nadruk verschoof van symbolische logica naar neurale netwerken en machinaal leren. Boden (2016) wijst erop dat dit geen fundamentele breuk was, maar een verschuiving in werkwijze. De symbolische regels van de eerste generatie werden vervangen door statistische patronen. Daardoor kon AI zich beter aanpassen aan complexe communicatieve situaties.

Na de periode van dominantie volgt de huidige fase van aanpassing, waarin AI zich verspreidt door alle bestaande media. Tekst, beeld, geluid en data vloeien samen in systemen die menselijke communicatie nabootsen en uitbreiden. Spraakassistenten combineren taal en geluid, chatbots verwerken tekst en context en beeldgenerators creëren nieuwe visuele vormen. Bory, Natale en Trudel zien daarin geen zuivere breuk met het verleden, maar een voortzetting van eerdere mediale structuren waarin communicatie steeds verder wordt geautomatiseerd. AI vormt zo een nieuw stadium in de evolutie van media: het verandert hoe mensen communiceren, informatie delen en betekenis construeren.

Het evolutionaire model laat zo zien dat de vraag of een computer kan denken weinig oplevert. Wat werkelijk verandert, is niet het denkvermogen van machines, maar de manier waarop communicatie zich technisch ontwikkelt. Kunstmatige intelligentie evolueert niet richting bewustzijn, maar richting complexere vormen van interactie tussen mens en technologie. Zoals Scolari (2013) stelt, overleven media niet omdat ze superieur zijn, maar omdat ze zich kunnen aanpassen. AI past zich voortdurend aan de communicatieve behoeften van de samenleving aan. Juist daarin ligt zijn kracht. De geschiedenis van AI is dus minder een verhaal over denkende machines dan over de voortdurende evolutie van communicatie zelf.

 Conclusie

De vraag of een computer kan denken lijkt op het eerste gezicht fundamenteel, maar vanuit een mediahistorisch perspectief blijkt zij misleidend. Wat Searle (1980) met zijn Chinese kamer aantoonde, dat een machine symbolen kan manipuleren zonder betekenis te begrijpen, kan ook worden gelezen als een beschrijving van wat media altijd al doen. Machines en communicatiesystemen verwerken tekens, signalen en gegevens, maar geven daar zelf geen betekenis aan. In die zin is kunstmatige intelligentie niet een denkende entiteit, maar een uitbreiding van eeuwenoude pogingen om communicatie technisch te organiseren.

Het intermediale perspectief van Balbi en Magaudda (2018) maakt zichtbaar dat AI voortbouwt op oudere media die taal, beeld en geluid omzetten in overdraagbare vormen. De zogenoemde digitale revolutie is dus geen breuk, maar een nieuwe fase in de geschiedenis van bemiddeling. Het evolutionaire perspectief van Scolari (2013) laat zien dat AI zich ontwikkelt volgens herkenbare patronen van opkomst, overheersing en herconfiguratie. Zoals Boden (2016) benadrukt, is de evolutie van AI niet gericht op bewustwording, maar op steeds geavanceerdere manieren van communiceren.

Daarmee verschuift ook het uitgangspunt van het debat. De vraag of computers kunnen denken zegt meer over hoe wij denken over technologie dan over de technologie zelf. AI maakt duidelijk dat menselijke communicatie en technologische bemiddeling steeds sterker met elkaar verweven raken. In plaats van te vragen of een computer kan denken, zouden we moeten vragen hoe de geschiedenis van media ons begrip van denken steeds heeft veranderd. In die zin ligt de betekenis van kunstmatige intelligentie niet in het nabootsen van de menselijke geest, maar in het herschrijven van wat communicatie in een digitale wereld betekent (Bory, Natale & Trudel 2021).


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Balbi, Gabriele en Paolo Magaudda, A history of digital media. An intermedia and global perspective (New York 2018) 6-24 en 246-266.

Boden, Margaret A., AI. Its nature and future (Oxford 2016).

Bory, Paolo, Simone Natale en Dominique Trudel, ‘Artificial intelligence. Reframing thinking machines within the history of media and communication’ in: Gabriele Balbi e.a. (red.), Digital roots. Historicizing media and communication concepts of the digital age (Berlijn 2021) 95-113.

Manovich, Lev, The language of new media (Cambridge MA 2001).
Miller, Vincent,
Understanding digital culture (Londen 2020).

Scolari, Carlos A., ‘Media evolution. Emergence, dominance, survival, and extinction in media ecology’, International Journal of Communication 7 (2013) 1418-1441.

Searle, John R., ‘Minds, brains, and programs’, Behavioral and Brain Sciences 3 (1980) 417-457.

De Boose, T., ‘Kan een computer denken? Nee, zei filosoof John Searle (1932-2025), lang voor de opkomst van AI’, De Standaard, 9 januari 2025. https://www.standaard.be/inspiratie/helpdesk/kan-een-computer-denken-nee-zei-filosoof-john-searle-1932-2025-lang-voor-de-opkomst-van-ai/94128340.