dinsdag, mei 19, 2026

Jaanchi van Westpunt, een stukje Curaçao met karakter

Lang geleden kwam ik voor het eerst op Curaçao. Zoals dat soms gaat met reizen, weet je achteraf niet meer precies wat je allemaal die keer hebt gezien, maar je weet nog wel wat je voelde. Bij mij was dat vooral Bandabou. Daar zat voor mij het Curaçao dat ik wilde onthouden. Ruiger, oorspronkelijker, vriendelijker en mooier. Bandariba had voor mij meer van hetzelfde, een eenheidsworst in tropische verpakking. Maar Bandabou had (en heeft), warmte en karakter.

En in Westpunt had je Jaanchi. Het restaurant was niet alleen een plek waar eten op tafel kwam, het was meer een belevenis. De man zelf, Jan Christiaan, beter bekend als Jaanchi of The Walking Menu, kwam aan tafel en vertelde wat er die dag te eten was. Terwijl Jaanchi dat vertelde, beeldde hij de menukaart uit met gebaren, humor en mimiek. Kip, geit, vis, leguaan.

Jaanchi is onlangs overleden, op 77-jarige leeftijd. Daarmee is Curaçao niet zomaar een restauranteigenaar kwijt, maar een icoon. Zijn restaurant wordt beschreven als het oudste restaurant van Curaçao; volgens zijn nicht Jo-Anne Bakhuis-Da Costa Gomez begon zijn grootvader het restaurant in 1936 en zou de familie dit jaar het 90-jarig bestaan vieren. Jaanchi zelf droeg het restaurant 58 jaar lang.

Wat Jaanchi bijzonder maakte, was niet alleen dat hij eten serveerde. Hij serveerde aandacht. En dat is zeldzamer dan geit, vis of leguaan. Hij liep niet langs de tafels, omdat dat nu eenmaal bij zijn werk hoorde. Hij maakte van elke tafel even een ontmoeting. Dat is een vorm van gastvrijheid die je niet kunt aanleren in een hospitalitytraining. Je hebt het, of je hebt het niet. Jaanchi had het.

Zijn nicht schreef een prachtig stuk over hem. Daaruit spreekt iets wat je tegenwoordig bijna ouderwets zou noemen, maar wat eigenlijk tijdloos is: hard werken, niet stilzitten, dienstbaarheid, familie, trouw aan een plek en echte aandacht voor mensen. Dat voelde je ook als bezoeker. Jaanchi’s was geen decor dat voor toeristen was neergezet. Het was gegroeid, verzameld, geleefd. Een plek met een ziel.

Ik weet nog goed dat ik er voor het eerst kwam. Ik vond het meteen gezellig. Niet gestileerd gezellig, maar echt gezellig. Alles klopte gewoon. Curaçao heeft daarna nooit meer dezelfde overweldigende indruk op mij gemaakt als die eerste keer. En Jaanchi hoorde bij die eerste indruk. Michael heeft er zelfs voor het eerst leguaan gegeten. Ik niet. Ik had thuis namelijk zelf een leguaan als huisdier, Rabin. En hoe enthousiast Jaanchi het menu ook uitbeeldde, bij leguaan zag ik toch vooral mijn eigen huisgenoot voor me.

Curaçao is een icoon armer. Westpunt is stiller geworden. Maar wie ooit bij Jaanchi heeft gegeten, vergeet hem nooit meer. Een man die van eten een ontmoeting maakte en van een restaurant een begrip.


maandag, mei 18, 2026

Schipper, mag ik overvaren? Ja, want Europa betaalt

Toen wij nog vaak naar Telendos gingen, zagen wij soms vreemde taferelen. Niet alleen op het eiland zelf, maar ook op zee, tussen de eilanden in. Wat we in 2015 zagen, krijgt nu, jaren later, alsnog een staartje.

Telendos is zo’n plek waar je makkelijk vergeet dat de wereld bestaat. Een klein eiland tegenover Kalymnos, met terrassen aan het water, rotsen in de zon en dat typische Griekse gevoel. Maar in 2015 was de wereld daar ineens heel dichtbij. Vanaf een idyllisch terras zagen wij dagelijks open boten voorbijkomen met vluchtelingen. Honderden mensen, meerdere keren per dag. Ze werden van het eiland Leros richting Kalymnos vervoerd. In de haven van Kalymnos was een tentenkamp ingericht. Veel mensen bleven daar niet lang, want de meeste vluchtelingen wilden verder: naar Athene, het vasteland en de rest van Europa.

Het terras was daardoor al snel niet meer idyllisch. Eerst kijk je nog naar zee. Daarna kijk je naar mensen. En dan begint het praten. Zoals dat nu op sociale media gebeurt, gebeurde het toen gewoon aan tafeltjes met ouzo, koffie en Mythos. Binnen de kortste keren was het hele terras verdeeld. De een vond dat vluchtelingen geholpen moesten worden. De ander vond dat het eiland overspoeld werd. Soms leek het alsof wie kritiek had, moreel geen recht meer had om nog op het eiland te komen.

Ook onder eilandbewoners zelf hing spanning. Er werd met afgunst gekeken naar de plaatselijke schippers, die volgens sommigen veel geld verdienden aan het vervoer van vluchtelingen. Of dat werkelijk om enorme bedragen ging, viel voor ons natuurlijk niet te controleren. Op kleine eilanden groeit een verhaal snel uit tot een waarheid. Zeker op eilanden waar vetes, roddel en achterklap soms net zo hard waaien als de Meltemi.

Jaren later duikt nu op sociale media opnieuw zo’n verhaal op. De schippers zouden nu worden aangesproken op hun rol, omdat zij destijds ook mensen zouden hebben vervoerd die later betrokken waren bij terroristische aanslagen in Europa. Vooral de aanslagen in Parijs in 2015 worden daarbij genoemd. Dat maakt zo’n verhaal meteen explosief. Vluchtelingen, Griekenland, Europees geld, terrorisme: alles zit erin. Maar de werkelijkheid is ingewikkelder.

Wat wel vaststaat, is dat Griekenland in die jaren veel Europees geld kreeg voor de opvang en verplaatsing van vluchtelingen en asielzoekers. In Europese overzichten wordt expliciet gesproken over financiering voor onder meer opvang, voeding, gezondheidszorg en vervoer naar het vasteland. Ook klopt het dat enkele daders van de aanslagen in Parijs via Griekenland Europa zijn binnengekomen. Griekse media schreven destijds over mannen die via Leros waren geregistreerd en daarna verder reisden. Proto Thema beschreef bijvoorbeeld hoe twee latere zelfmoordterroristen op 3 oktober 2015 bij Farmakonisi aankwamen, samen met anderen, waarna zij via Leros in het registratiesysteem terechtkwamen en later verder reisden.

Daar houdt de harde zekerheid grotendeels op. Ik heb geen betrouwbare Griekse nieuwsbron gevonden waarin lokale schippers officieel worden beschuldigd, omdat zij terroristen zouden hebben vervoerd. Iemand vervoeren in een chaotische vluchtelingencrisis is niet hetzelfde als weten wie iemand is. Een schipper controleert geen paspoorten. Een eilandbewoner voert geen veiligheidsanalyse uit. En in 2015 was de situatie op de Griekse eilanden vaak zo chaotisch dat zelfs officiële instanties moeite hadden om iedereen goed te registreren.

Wat wij op Telendos zagen, was in ieder geval echt, net als de boten, de mensen, de spanning op het terras en de jaloezie op het eiland. De waarheid van 2015 ligt ergens tussen zee, geld, noodhulp, mensensmokkel, Europees beleid en eilandroddel in. En misschien is dat wel het wrange: op een klein Grieks eiland zag je toen al waar Europa op uit zou draaien. Niet als ideaal, maar als crisis die langzaam langs je terras voer.

 

donderdag, mei 14, 2026

Rob Jetten op Bonaire: klimaatwoorden, een kwal en een vergeten klimaatplan

De leguanen wapperden met hun staarten, Nolly Oleana met zijn klimaatplan en het koraal bloeide bijna weer op: minister-president Rob Jetten zou op 12 mei 2026 naar Bonaire komen.

In 2023 was Rob Jetten als minister van Klimaat en Energie ook al op Bonaire. Toen was hij nog zichtbaar begaan met het klimaat. Zo werkte hij in de mangroven eigenhandig aan natuurherstel. Op 9 mei 2023 nam hij samen met waarnemend gezaghebber Nolly Oleana het adviesrapport van de Klimaattafel Bonaire in ontvangst. En verdomd als het niet waar is, onze eigen Edje Raketje uit Bergen op Zoom had ook weer een functie voor zichzelf gecreëerd op het zonnige eiland, als kwartiermaker van de Klimaattafel. Bonaire moest weerbaarder worden, de natuur moest beschermd worden, het koraal verdiende aandacht en Den Haag leek het eiland ineens te hebben gevonden zonder eerst op Google Maps te hoeven zoeken.

Daarna werkte Nolly Oleana verder als voorzitter van de Klimaattafel Bonaire. Zijn lijn is praktisch: niet alleen mooie klimaatwoorden, maar maatregelen. Huizen verstevigen tegen stormen, natuur beschermen, voedselzekerheid, leefbaarheid, uitvoering regelen en geld vinden. Volgens Oleana lag er na anderhalf jaar werk een concreet en breed gedragen klimaatplan, maar bleef de uitvoering hangen in bestuurlijke processen.

In oktober 2025 stonden Greenpeace en inwoners van Bonaire tegenover de Nederlandse Staat in de rechtbank. Zij vonden dat Bonaire veel te weinig wordt beschermd tegen klimaatverandering, terwijl het eiland juist kwetsbaar is voor zeespiegelstijging, hitte, stormen en schade aan koraal en natuur. Op 28 januari 2026 gaf de rechtbank hen grotendeels gelijk: Nederland doet te weinig en behandelt Bonaire niet gelijkwaardig aan Europees Nederland. En toen kwam de draai. Op 10 april 2026 besloot het kabinet-Jetten in hoger beroep te gaan tegen die uitspraak.

De man die in 2023 nog als klimaatminister op Bonaire sprak over bescherming, kwam in 2026 terug als minister-president van een kabinet dat juridisch tegen extra bescherming voor Bonaire in verweer gaat. Maar hoe hoger je in de politiek komt, hoe minder je je dat soort zaken daadwerkelijk aantrekt. Het gaat dan alleen nog om de schijn. Op 12 mei 2026 begon Jetten zijn eendaagse bezoek aan Bonaire dan ook met een zeer persoonlijke test van de waterkwaliteit, waarbij hij vermoedelijk door een kwal werd gestoken en de volgende uren vooral de luchtkwaliteit in ziekenhuis Mariadal kon beoordelen. Ondertussen was het klimaatplan van Nolly Oleana na anderhalf jaar werk klaar om te worden overhandigd, maar daar was in het programma geen tijd voor ingeruimd. Voor een persmoment bij Divi Flamingo Beach Resort & Casino gelukkig wel.

Later die dag hervatte hij zijn programma, maar de angel werd er niet uitgehaald. Tijdens het persmoment op 12 mei 2026 zei Jetten keurig dat klimaatverandering belangrijk blijft en dat Bonaire samen met Nederland moet investeren in weerbaarheid, duurzame energie en voorbereiding op extreem weer. Maar op de vraag hoe hij zich persoonlijk voelde bij het hoger beroep van zijn eigen kabinet tegen de Greenpeace-uitspraak, bleef het stil. En zo komt Bonaire er opnieuw bekaaid vanaf: goed genoeg voor klimaatfoto’s, werkbezoeken en warme woorden, maar zodra er juridisch echte bescherming moet komen, wordt het eiland weer naar de wachtkamer verwezen. Soms zegt een kwal meer over klimaatbeleid dan een persmoment.

Hemelvaart in tijden van likes en perfecte plaatjes

Hemelvaart is zo’n woord dat nog wel op de kalender staat, maar voor veel mensen zijn betekenis kwijt is. Het is een vrije dag geworden, een lang weekend, misschien ergens vaag nog iets met Jezus die naar de hemel ging. Maar in het christendom is Hemelvaart een belangrijk feest. Het herinnert eraan dat Jezus, veertig dagen na Pasen, afscheid nam van zijn leerlingen en werd opgenomen in de hemel. Als teken dat Zijn leven, lijden, sterven en opstanding niet eindigden in verlies. Hemelvaart betekent dat Christus wordt verhoogd: Hij krijgt een plaats bij God.

Juist dat maakt Hemelvaart zo bijzonder. Jezus wordt niet verhoogd omdat Hij zichtbaar succesvol was, indruk maakte met uiterlijk vertoon of Zichzelf voortdurend op de voorgrond zette. Integendeel. Het christelijke verhaal zegt dat Hij juist door vernedering, lijden en dienstbaarheid heen verhoogd werd. Dat is een ongemakkelijke gedachte in een tijd waarin succes vaak wordt gemeten in likes, volgers, mooie foto’s, perfecte lichamen, invloed en zichtbaarheid. Op sociale media lijkt waarde soms samen te vallen met hoe goed je jezelf kunt presenteren. Wie gezien wordt, telt mee. Wie mooi, sterk, gelukkig en succesvol oogt, lijkt gewonnen te hebben.

Hemelvaart draait dat beeld radicaal om. Christus wordt niet verhoogd omdat Hij zichzelf groter of machtiger maakte, maar omdat Hij zichzelf gaf. Niet de buitenkant blijkt doorslaggevend, maar liefde, trouw, nederigheid en dienstbaarheid. In een cultuur waarin mensen zichzelf moeten verkopen om niet onzichtbaar te worden, zegt Hemelvaart iets bevrijdends: je waarde hangt niet af van je uitstraling, je status of je bereik. Wat kwetsbaar is, kan heilig zijn. Wat niet glanst, kan betekenisvol zijn. En wat uit het zicht verdwijnt, hoeft niet verloren te zijn. Juist daarin schuilt misschien de diepste betekenis van Hemelvaart: Christus verdwijnt uit het zicht, maar niet uit de werkelijkheid. Hij laat geen leegte achter, maar een omgekeerde blik op wat waarde, macht en aanwezigheid eigenlijk betekenen.

woensdag, mei 13, 2026

De koloniale echo van het Frans in Senegal

Wie door Senegal reist, ziet overal Frans. Op borden langs de weg, op scholen, op overheidsgebouwen, op administratieve formulieren en in publieke instellingen. Het Frans is zo nadrukkelijk aanwezig dat je bijna zou vergeten dat Senegal al sinds 1960 onafhankelijk is en dat lokale talen zoals Wolof door een groot deel van de bevolking worden gesproken.

Tijdens mijn reizen ben ik mij steeds bewuster geworden van de manier waarop taal verbonden is met macht, identiteit en maatschappelijke positie. Wanneer je je verplaatst tussen verschillende landen en sociale contexten, vallen dingen op die in je eigen omgeving vaak vanzelfsprekend lijken. In Senegal werd dat voor mij heel concreet. De taal die het meest zichtbaar is, is niet per se de taal die de meeste mensen thuis of onderling gebruiken, maar de taal van bestuur, onderwijs en status.

Tijdens meerdere bezoeken aan Senegal werd ik telkens getroffen door de alomtegenwoordigheid van het Frans. Vrijwel alle officiële bewegwijzering, schoolborden en administratieve aanduidingen die ik zag, waren uitsluitend in het Frans opgesteld. Op een basisschool die ik bezocht om schoolspullen af te geven, waren alle informatieborden, instructies en schoolaanduidingen in het Frans. Ook in de klas waar wij mochten meekijken, waren de leerlingen bezig met Franse les.

Wat mij het meest raakte, was dat de kinderen moesten opstaan om de Marseillaise te zingen. Dat moment voelde voor mij ongemakkelijk en zelfs beschamend. Meer dan zestig jaar na de onafhankelijkheid leek de koloniale erfenis nog volledig aanwezig in het onderwijs. Niet als geschiedenisles, maar als dagelijkse praktijk.

Deze observaties sluiten nauw aan bij de analyse van Ibrahima Diallo (2006). Senegal werd in 1960 onafhankelijk, maar nam het Frans aan als enige officiële taal van de staat. Daarmee bleef de koloniale bestuurstaal institutioneel dominant. Frans bleef de taal van administratie, onderwijs en parlement. Diallo laat zien dat beheersing van het Frans sterk verbonden is met sociale mobiliteit en economische kansen.

Tijdens mijn gesprekken met lokale inwoners werd dit beeld bevestigd. Een schoonmaker vertelde mij bijvoorbeeld dat men heel goed Frans moet kunnen om kans te maken op een baan. Frans fungeert dus niet alleen als communicatiemiddel, maar als toegangstaal tot werk, status en maatschappelijke erkenning.

Tegelijkertijd is Frans voor het merendeel van de bevolking geen moedertaal. Volgens Diallo spreekt slechts ongeveer 20 procent van de bevolking Frans vloeiend en heeft minder dan 1 procent het Frans als moedertaal. Daartegenover staat dat Wolof door meer dan 80 procent van de bevolking wordt gebruikt als lingua franca. Deze demografische realiteit staat in scherp contrast met het officiële taallandschap, waarin Wolof opvallend weinig zichtbaar is.


Dat maakt het taallandschap van Senegal zo veelzeggend. De taal die veel mensen dagelijks gebruiken, verschijnt nauwelijks op de plaatsen waar macht, onderwijs en bestuur zichtbaar worden gemaakt. Frans staat op de gevels, de formulieren en de schoolborden. Wolof leeft op straat, in gesprekken, in families en in het dagelijks verkeer, maar krijgt in de officiële ruimte veel minder plaats.

Zoals Ingrid Piller (2017) stelt, weerspiegelen taalkeuzes in de publieke ruimte onderliggende taalideologieën. In het Senegalese taallandschap wordt Frans duidelijk gevaloriseerd als de taal van de staat, het onderwijs en maatschappelijke vooruitgang. Frans heeft in Senegal meer macht, omdat het de taal is van school, banen en officiële communicatie. Wolof wordt door veel mensen gebruikt en is sociaal gezien zeer belangrijk, maar geeft veel minder toegang tot formele mogelijkheden.

Daardoor ontstaat een scherpe kloof tussen de taal van het dagelijks leven en de taal van institutionele macht. Wie Frans beheerst, heeft meer kansen. Wie vooral Wolof spreekt, bevindt zich in een samenleving waarin de eigen dagelijkse taal minder gewicht krijgt op de plekken waar beslissingen worden genomen. Dat is geen neutraal taalverschil, maar een vorm van ongelijkheid die diep in het systeem zit.

Het taallandschap van Senegal laat zien dat de invloed van de koloniale tijd nog steeds doorwerkt. Hoewel het land politiek onafhankelijk is, is het officiële taalgebruik niet fundamenteel veranderd. Frans blijft de belangrijkste taal op scholen, in overheidscommunicatie en in veel publieke aanduidingen. Dat betekent dat succes en volwaardig meedoen in de samenleving nog steeds sterk verbonden zijn aan het beheersen van een koloniale taal.

Mijn eigen observaties maakten zichtbaar hoe diep deze taalideologie verankerd is in het dagelijkse leven. Taal is hier niet neutraal. Taal wijst aan wie toegang krijgt, wie wordt gezien en welke geschiedenis nog altijd doorwerkt in het heden.

dinsdag, mei 12, 2026

Fado com História in Tavira waar fado en rebetiko elkaar raken

Fado com História in Tavira is geen toeristenvoorstelling waarbij een paar muzikanten een keurig deuntje spelen voor bezoekers die na een half uur weer verder moeten. Dit is anders. Hier staan mensen die fado niet alleen zingen of begeleiden, maar bijna zelf fado zijn. Wij zagen een oudere muzikant die duidelijk met hart en ziel speelde, een jonge gitarist die door hem was opgeleid en een zangeres met een stem waar je meteen stil van wordt. 

De voorstelling vond plaats in de prachtige Igreja da Misericórdia van Tavira, wat de muziek nog intenser maakte. Fado heeft al iets sacraals, maar in zo’n ruimte krijgt iedere stem, iedere snaar en iedere stilte extra gewicht. Om de hoek hebben ze ook een klein theater waar ze optreden, dus de locatie kan verschillen, maar het kleinschalige en persoonlijke karakter blijft behouden. Er spelen verschillende artiesten, dus iedere voorstelling zal anders zijn, maar juist dat maakt het levend. Voor maar 10 euro krijg je niet alleen live fado, maar ook uitleg over de geschiedenis van deze muziek. 

Wat mij raakte, was dat het niet voelde als folklore voor toeristen. Het voelde echt. Fado is muziek die uit verlies, verlangen en lotsbesef komt. Het woord fado hangt samen met het Latijnse fatum, lot of noodlot, en dat hoor je ook. Het deed me denken aan de Griekse rebetiko. Fado en rebetiko zijn, als ze goed worden gebracht, geen keurige muziekgenres voor op de achtergrond. Het zijn stadse, doorleefde vormen van muziek, geboren uit verlangen, armoede, liefde, heimwee, pijn en overleven. Fado heeft saudade, dat bijna onvertaalbare Portugese gevoel van gemis en verlangen. Rebetiko heeft die rauwe Griekse pijn van mensen aan de rand van de samenleving, van havens, cafés, vluchtelingen, arbeiders en buitenstaanders. Eigenlijk zijn fado en rebetiko muzikale familieleden. De een spreekt Portugees, de ander Grieks, maar ze herkennen elkaar onmiddellijk. 

Misschien is dat precies waarom deze voorstelling zo binnenkwam. Er werd niet alleen gezongen. Er werd iets doorgegeven. Van oudere muzikant naar jonge leerling, van stem naar publiek, van geschiedenis naar gevoel. Fado werd hier niet uitgelegd als museumstuk, maar gespeeld alsof het nog steeds leeft. En dat deed het ook.


woensdag, mei 06, 2026

Hantavirus bereikt Sint-Helena via MV Hondius, maar Jonathan (194) maakt zich geen zorgen

Op Sint-Helena, waar nog geen 4.500 mensen wonen, is het ineens onrustig. Niet zichtbaar op elke straathoek, maar wel in gesprekken, berichten en officiële waarschuwingen. De passagiers van de MV Hondius zijn van 22 april tot en met 24 april aan land geweest. Dat is genoeg om de aandacht van St Helena Government volledig te richten op het voorkomen dat de Andesvariant van het hantavirus zich op het eiland verspreidt. Mensen die contact hebben gehad met passagiers worden gemonitord. Er is een oproep gedaan om alert te zijn op klachten. En de komende weken staan in het teken van opletten, afwachten en controleren. Op een eiland waar iedereen elkaar kent, voelt dat meteen dichtbij. Juist omdat het zo klein is, kan één contactmoment veel betekenen.

Dat kleine, afgelegen eiland in de Zuid- Atlantische Oceaan speelde al eerder een rol in de wereldgeschiedenis. Hier werd Napoleon Bonaparte na zijn nederlaag bij Waterloo naartoe verbannen. Hij bracht zijn laatste jaren door in Longwood House en overleed hier in 1821. Sindsdien is Sint-Helena een plek waar de grote wereldgeschiedenis even stil leek te staan, ver weg van oorlogen en machtsverschuivingen.

Misschien geen wereldnieuws, maar zeker niet onbelangrijk: Sint-Helena heeft een inwoner van 
194 jaar oud. De Reuzenschildpad Jonathan werd rond 1832 geboren. Toen Napoleon nog maar net overleden was en de wereld nog grotendeels per paard en schip bewoog. Hij kwam op Sint-Helena terecht toen het Britse rijk nog op zijn hoogtepunt was. Sindsdien heeft hij alles langs zien komen, zonder ooit echt “mee te doen”. Hij leeft in alle rust in de tuin van Plantation House

Hij heeft de opkomst van de trein gemist, maar ook de eerste auto’s. De uitvinding van elektriciteit, de telefoon, radio, televisie, het ging allemaal aan hem voorbij, terwijl hij rustig doorging met eten, slapen en een beetje rondlopen. Twee wereldoorlogen. Miljoenen doden. Grenzen die verschoven. Hij bleef zitten waar hij zat. De Spaanse griep, die wereldwijd tientallen miljoenen slachtoffers maakte. Geen effect op Jonathan. Hij at gewoon zijn bladeren. De landing op de maan. Mensen die voor het eerst de aarde verlieten. Jonathan keek waarschijnlijk niet eens op. 

Het internet, smartphones, kunstmatige intelligentie. Een wereld waarin mensen steeds sneller leven en steeds meer tegelijk doen. Jonathan? Die doet nog steeds ongeveer hetzelfde als 190 jaar geleden. En toen kwam COVID-19. De wereld ging op slot. Mensen bleven binnen, steden werden stil. En ergens op Sint-Helena liep Jonathan gewoon zijn rondje. "Het zal mijn tijd wel duren." 

En nu is er weer zo’n moment. Een virus bereikt het eiland. Zorgen, monitoring en waarschuwingen, maar niet voor Jonathan. Jonathan zit in zijn tuin. Afgeschermd, verzorgd, onaangedaan. Waar mensen elkaar in de gaten moeten houden, symptomen moeten herkennen en risico’s moeten inschatten, blijft zijn wereld klein en overzichtelijk. De wereld verandert voordurend, maar voor Jonathan is het gewoon weer een gebeurtenis die voorbijgaat. Heerlijk toch? 

zondag, mei 03, 2026

Ria Formosa: Europees betaald, lokaal vervuild

Het natuurgebied Ria Formosa strekt zich uit over zo’n 60 kilometer langs de Algarve in Portugal, van Ancão tot Manta Rota. Geen aaneengesloten kustlijn, maar een landschap van eilanden, zandbanken en lagunes die voortdurend in beweging zijn. Het is een wetland. Een gebied waar land en water in elkaar overlopen, waar zout en zoet elkaar ontmoeten en waar ecosystemen normaal gesproken juist rijker worden. Dit soort gebieden werken als natuurlijke filters, broedplaatsen voor vissen en als rustplek voor trekvogels. Ze horen vol leven te zijn.

Juist omdat wetlands zo kwetsbaar zijn, vallen ze vaak onder zware bescherming. Dat geldt hier ook. Ria Formosa is onderdeel van Natura 2000 en erkend als Ramsar-wetland. Het maakt deel uit van Europese beschermingsprogramma’s waarvoor veel subsidie beschikbaar is, zoals LIFE-projecten en nationale natuurfondsen. Er gaat hier geld naartoe om biodiversiteit te beschermen, ecosystemen te herstellen en duurzaamheid zichtbaar te maken voor bezoekers. Dit lijkt een voorbeeldproject.

En dat zie je ook meteen als je aankomt met de boot op Ilha de Tavira. Overal aanwijzingen en afvalscheiding tot in detail. Om de 5 meter 6 bakken voor afvalscheiding. Borden die uitleggen wat waar moet. Een metalen vis die plastic opvangt. “Protect our planet.” Het is georganiseerd en gecontroleerd.

Dit zou een hotspot moeten zijn voor trekvogels, voor soorten die je elders nauwelijks ziet. De bijeneter bijvoorbeeld. Een van de opvallendste vogels van Europa, felgekleurd, bijna tropisch. In veel beschrijvingen wordt hij genoemd als typische soort voor dit gebied, maar wij zagen hem niet. Sterker nog, we zagen überhaupt nauwelijks vogels. Je vraagt je af waarom er zoveel vogelreizen naar dit gebied georganiseerd worden en er overal vogelaars met verrekijkers rondlopen.

En dan loop je door. Aan de achterkant van het eiland ligt geen voorbeeldproject meer, maar een vuilstort van hout, deuren, pallets en oude apparaten. Koelkasten die staan te lekken in de zon, jerrycans, hopen afval die te groot zijn om nog tijdelijk te zijn. Alles wat aan de voorkant zorgvuldig wordt gescheiden, wordt hier gewoon in de duinen gedumpt. Tijdens je wandeling word je bijna omver gereden door tractoren die dat afval direct naar de beschermde duingebieden brengen. Aan de zijkant van het eiland zie je dat overig afval allemaal bij elkaar in containers wordt gegooid en per boot naar een andere plek wordt gebracht.

Een stukje verder zie je bomen waarvan de wortels bloot liggen. Geen stormschade, maar langzaam verlies. Zand dat verdwenen is, een eiland dat stukje bij beetje afkalft. Dit is kusterosie, maar niet in de rustige, natuurlijke vorm die bij een wetland hoort. Dit gebied is beschermd en wordt actief gepresenteerd als beschermd. Met beleid, geld en zichtbare maatregelen. Maar bescherming aan de voorkant is blijkbaar iets anders dan bescherming in de praktijk.

Afval wordt keurig gescheiden, om daarna ergens verderop weer gezellig bij elkaar te eindigen, toeristen worden strak gestuurd, maar blijven in steeds grotere aantallen komen. En de vogels waarvoor iedereen hierheen reist, lijken zich steeds minder te laten zien. Wat de ironie compleet maakt: hoe beter een gebied wordt beschermd en gepromoot, hoe groter de druk erop wordt, met meer afval, meer verstoring en minder ruimte als logisch gevolg. Dan dringt de vraag zich op wat er eigenlijk gebeurt met al dat Europese geld, want het lijkt alsof een deel ervan vooral is geïnvesteerd in mooie borden, keurige afvalbakken en een overtuigend decor waarin alles klopt. Totdat je een paar meter doorloopt, dan begrijp je dat zelfs een bijeneter het blijkbaar een goed idee vond om zijn koffers te pakken.