In de documentaire Eternal You van Hans Block en Moritz Riesewieck wordt een wereld zichtbaar waarin bedrijven kunstmatige intelligentie trainen met de digitale sporen van overleden mensen: e-mails, chatberichten, foto’s, video’s en audiomateriaal. Op basis van die gegevens ontstaat een systeem dat kan reageren zoals die persoon dat ooit deed. De doden spreken opnieuw, maar dan in de taal van data. Nabestaanden kunnen berichten sturen naar een chatbot die is opgebouwd uit het digitale leven van een overleden partner, vriend of familielid. Soms blijft het bij tekst. Soms krijgt de simulatie een gezicht via een avatar of een deepfake-video. In sommige projecten, zoals het VR-experiment Meeting You, kunnen mensen hun overleden dierbare zelfs ontmoeten in een virtuele ruimte. Daar ontstaat een vreemd soort aanwezigheid: niet helemaal herinnering, maar ook niet echt een levend persoon. Iets ertussenin.
Dat roept een fundamentele filosofische vraag op. Wat is
zo’n digitale simulatie eigenlijk? Wat is de ontologische status van een
AI-gegenereerde simulatie van een overleden mens? Het is duidelijk dat het geen
persoon is. Het systeem denkt niet echt, voelt niets en heeft geen bewustzijn.
Maar het is ook niet simpelweg een archief of een fotoalbum. Het reageert, spreekt
terug en neemt deel aan een gesprek, op een manier die verdacht veel lijkt op
die van de overledene. Daardoor ontstaat iets nieuws: een hybride entiteit die
bestaat uit technologie, data, herinnering en menselijke interpretatie. In
zekere zin lijkt het alsof de overledene voortleeft in een netwerk van
algoritmen en opgeslagen fragmenten van zijn vroegere leven.
Dat idee raakt aan een diep menselijk verlangen. Al
duizenden jaren zoeken mensen manieren om met de doden te blijven communiceren.
Religies spreken over zielen, geesten en een hiernamaals. Rituelen, gebeden en
voorouderverering houden de band met de overledenen levend. Wat AI nu doet, is
dat oude verlangen vertalen naar technologie. Socioloog Sherry Turkle zegt in
de documentaire dat deze systemen een vorm van transcendentie beloven.
Technologie biedt hier iets dat lijkt op religie: de suggestie dat iemand na de
dood toch nog aanwezig kan blijven. Een soort digitaal hiernamaals.
Tegelijkertijd roept dit ongemakkelijke vragen op. Als
een algoritme de stem van een overledene kan imiteren, waar ligt dan de grens
tussen herinnering en simulatie? Is zo’n digitale aanwezigheid een vorm van
troost, of verandert ze onze relatie met de dood? Kan iemand digitaal eeuwig
leven?
Misschien is het meest ontregelende inzicht wel dat deze systemen niet simpelweg de doden terugbrengen. Ze creëren iets nieuws. Geen mens, geen machine, maar een hybride verschijnsel dat alleen kan bestaan in een wereld vol data en algoritmen. De doden keren niet terug, maar ze verdwijnen ook niet helemaal. Ze veranderen van vorm. En misschien zegt dat ook iets over onszelf: over onze moeite om afscheid te nemen en over de eeuwenoude menselijke droom van een hiernamaals. Dit is pas het begin van een nieuwe relatie tussen technologie en de dood. In de komende jaren wil ik onderzoeken wat deze digitale aanwezigheid van overledenen betekent voor onze ideeën over mens-zijn, rouw en het hiernamaals.
