donderdag, mei 14, 2026

Rob Jetten op Bonaire: klimaatwoorden, een kwal en een vergeten klimaatplan

De leguanen wapperden met hun staarten, Nolly Oleana met zijn klimaatplan en het koraal bloeide bijna weer op: minister-president Rob Jetten zou op 12 mei 2026 naar Bonaire komen.

In 2023 was Rob Jetten als minister van Klimaat en Energie ook al op Bonaire. Toen was hij nog zichtbaar begaan met het klimaat. Zo werkte hij in de mangroven eigenhandig aan natuurherstel. Op 9 mei 2023 nam hij samen met waarnemend gezaghebber Nolly Oleana het adviesrapport van de Klimaattafel Bonaire in ontvangst. En verdomd als het niet waar is, onze eigen Edje Raketje uit Bergen op Zoom had ook weer een functie voor zichzelf gecreëerd op het zonnige eiland, als kwartiermaker van de Klimaattafel. Bonaire moest weerbaarder worden, de natuur moest beschermd worden, het koraal verdiende aandacht en Den Haag leek het eiland ineens te hebben gevonden zonder eerst op Google Maps te hoeven zoeken.

Daarna werkte Nolly Oleana verder als voorzitter van de Klimaattafel Bonaire. Zijn lijn is praktisch: niet alleen mooie klimaatwoorden, maar maatregelen. Huizen verstevigen tegen stormen, natuur beschermen, voedselzekerheid, leefbaarheid, uitvoering regelen en geld vinden. Volgens Oleana lag er na anderhalf jaar werk een concreet en breed gedragen klimaatplan, maar bleef de uitvoering hangen in bestuurlijke processen.

In oktober 2025 stonden Greenpeace en inwoners van Bonaire tegenover de Nederlandse Staat in de rechtbank. Zij vonden dat Bonaire veel te weinig wordt beschermd tegen klimaatverandering, terwijl het eiland juist kwetsbaar is voor zeespiegelstijging, hitte, stormen en schade aan koraal en natuur. Op 28 januari 2026 gaf de rechtbank hen grotendeels gelijk: Nederland doet te weinig en behandelt Bonaire niet gelijkwaardig aan Europees Nederland. En toen kwam de draai. Op 10 april 2026 besloot het kabinet-Jetten in hoger beroep te gaan tegen die uitspraak.

De man die in 2023 nog als klimaatminister op Bonaire sprak over bescherming, kwam in 2026 terug als minister-president van een kabinet dat juridisch tegen extra bescherming voor Bonaire in verweer gaat. Maar hoe hoger je in de politiek komt, hoe minder je je dat soort zaken daadwerkelijk aantrekt. Het gaat dan alleen nog om de schijn. Op 12 mei 2026 begon Jetten zijn eendaagse bezoek aan Bonaire dan ook met een zeer persoonlijke test van de waterkwaliteit, waarbij hij vermoedelijk door een kwal werd gestoken en de volgende uren vooral de luchtkwaliteit in ziekenhuis Mariadal kon beoordelen. Ondertussen was het klimaatplan van Nolly Oleana na anderhalf jaar werk klaar om te worden overhandigd, maar daar was in het programma geen tijd voor ingeruimd. Voor een persmoment bij Divi Flamingo Beach Resort & Casino gelukkig wel.

Later die dag hervatte hij zijn programma, maar de angel werd er niet uitgehaald. Tijdens het persmoment op 12 mei 2026 zei Jetten keurig dat klimaatverandering belangrijk blijft en dat Bonaire samen met Nederland moet investeren in weerbaarheid, duurzame energie en voorbereiding op extreem weer. Maar op de vraag hoe hij zich persoonlijk voelde bij het hoger beroep van zijn eigen kabinet tegen de Greenpeace-uitspraak, bleef het stil. En zo komt Bonaire er opnieuw bekaaid vanaf: goed genoeg voor klimaatfoto’s, werkbezoeken en warme woorden, maar zodra er juridisch echte bescherming moet komen, wordt het eiland weer naar de wachtkamer verwezen. Soms zegt een kwal meer over klimaatbeleid dan een persmoment.

Hemelvaart in tijden van likes en perfecte plaatjes

Hemelvaart is zo’n woord dat nog wel op de kalender staat, maar voor veel mensen zijn betekenis kwijt is. Het is een vrije dag geworden, een lang weekend, misschien ergens vaag nog iets met Jezus die naar de hemel ging. Maar in het christendom is Hemelvaart een belangrijk feest. Het herinnert eraan dat Jezus, veertig dagen na Pasen, afscheid nam van zijn leerlingen en werd opgenomen in de hemel. Als teken dat Zijn leven, lijden, sterven en opstanding niet eindigden in verlies. Hemelvaart betekent dat Christus wordt verhoogd: Hij krijgt een plaats bij God.

Juist dat maakt Hemelvaart zo bijzonder. Jezus wordt niet verhoogd omdat Hij zichtbaar succesvol was, indruk maakte met uiterlijk vertoon of Zichzelf voortdurend op de voorgrond zette. Integendeel. Het christelijke verhaal zegt dat Hij juist door vernedering, lijden en dienstbaarheid heen verhoogd werd. Dat is een ongemakkelijke gedachte in een tijd waarin succes vaak wordt gemeten in likes, volgers, mooie foto’s, perfecte lichamen, invloed en zichtbaarheid. Op sociale media lijkt waarde soms samen te vallen met hoe goed je jezelf kunt presenteren. Wie gezien wordt, telt mee. Wie mooi, sterk, gelukkig en succesvol oogt, lijkt gewonnen te hebben.

Hemelvaart draait dat beeld radicaal om. Christus wordt niet verhoogd omdat Hij zichzelf groter of machtiger maakte, maar omdat Hij zichzelf gaf. Niet de buitenkant blijkt doorslaggevend, maar liefde, trouw, nederigheid en dienstbaarheid. In een cultuur waarin mensen zichzelf moeten verkopen om niet onzichtbaar te worden, zegt Hemelvaart iets bevrijdends: je waarde hangt niet af van je uitstraling, je status of je bereik. Wat kwetsbaar is, kan heilig zijn. Wat niet glanst, kan betekenisvol zijn. En wat uit het zicht verdwijnt, hoeft niet verloren te zijn. Juist daarin schuilt misschien de diepste betekenis van Hemelvaart: Christus verdwijnt uit het zicht, maar niet uit de werkelijkheid. Hij laat geen leegte achter, maar een omgekeerde blik op wat waarde, macht en aanwezigheid eigenlijk betekenen.

woensdag, mei 13, 2026

De koloniale echo van het Frans in Senegal

Wie door Senegal reist, ziet overal Frans. Op borden langs de weg, op scholen, op overheidsgebouwen, op administratieve formulieren en in publieke instellingen. Het Frans is zo nadrukkelijk aanwezig dat je bijna zou vergeten dat Senegal al sinds 1960 onafhankelijk is en dat lokale talen zoals Wolof door een groot deel van de bevolking worden gesproken.

Tijdens mijn reizen ben ik mij steeds bewuster geworden van de manier waarop taal verbonden is met macht, identiteit en maatschappelijke positie. Wanneer je je verplaatst tussen verschillende landen en sociale contexten, vallen dingen op die in je eigen omgeving vaak vanzelfsprekend lijken. In Senegal werd dat voor mij heel concreet. De taal die het meest zichtbaar is, is niet per se de taal die de meeste mensen thuis of onderling gebruiken, maar de taal van bestuur, onderwijs en status.

Tijdens meerdere bezoeken aan Senegal werd ik telkens getroffen door de alomtegenwoordigheid van het Frans. Vrijwel alle officiële bewegwijzering, schoolborden en administratieve aanduidingen die ik zag, waren uitsluitend in het Frans opgesteld. Op een basisschool die ik bezocht om schoolspullen af te geven, waren alle informatieborden, instructies en schoolaanduidingen in het Frans. Ook in de klas waar wij mochten meekijken, waren de leerlingen bezig met Franse les.

Wat mij het meest raakte, was dat de kinderen moesten opstaan om de Marseillaise te zingen. Dat moment voelde voor mij ongemakkelijk en zelfs beschamend. Meer dan zestig jaar na de onafhankelijkheid leek de koloniale erfenis nog volledig aanwezig in het onderwijs. Niet als geschiedenisles, maar als dagelijkse praktijk.

Deze observaties sluiten nauw aan bij de analyse van Ibrahima Diallo (2006). Senegal werd in 1960 onafhankelijk, maar nam het Frans aan als enige officiële taal van de staat. Daarmee bleef de koloniale bestuurstaal institutioneel dominant. Frans bleef de taal van administratie, onderwijs en parlement. Diallo laat zien dat beheersing van het Frans sterk verbonden is met sociale mobiliteit en economische kansen.

Tijdens mijn gesprekken met lokale inwoners werd dit beeld bevestigd. Een schoonmaker vertelde mij bijvoorbeeld dat men heel goed Frans moet kunnen om kans te maken op een baan. Frans fungeert dus niet alleen als communicatiemiddel, maar als toegangstaal tot werk, status en maatschappelijke erkenning.

Tegelijkertijd is Frans voor het merendeel van de bevolking geen moedertaal. Volgens Diallo spreekt slechts ongeveer 20 procent van de bevolking Frans vloeiend en heeft minder dan 1 procent het Frans als moedertaal. Daartegenover staat dat Wolof door meer dan 80 procent van de bevolking wordt gebruikt als lingua franca. Deze demografische realiteit staat in scherp contrast met het officiële taallandschap, waarin Wolof opvallend weinig zichtbaar is.


Dat maakt het taallandschap van Senegal zo veelzeggend. De taal die veel mensen dagelijks gebruiken, verschijnt nauwelijks op de plaatsen waar macht, onderwijs en bestuur zichtbaar worden gemaakt. Frans staat op de gevels, de formulieren en de schoolborden. Wolof leeft op straat, in gesprekken, in families en in het dagelijks verkeer, maar krijgt in de officiële ruimte veel minder plaats.

Zoals Ingrid Piller (2017) stelt, weerspiegelen taalkeuzes in de publieke ruimte onderliggende taalideologieën. In het Senegalese taallandschap wordt Frans duidelijk gevaloriseerd als de taal van de staat, het onderwijs en maatschappelijke vooruitgang. Frans heeft in Senegal meer macht, omdat het de taal is van school, banen en officiële communicatie. Wolof wordt door veel mensen gebruikt en is sociaal gezien zeer belangrijk, maar geeft veel minder toegang tot formele mogelijkheden.

Daardoor ontstaat een scherpe kloof tussen de taal van het dagelijks leven en de taal van institutionele macht. Wie Frans beheerst, heeft meer kansen. Wie vooral Wolof spreekt, bevindt zich in een samenleving waarin de eigen dagelijkse taal minder gewicht krijgt op de plekken waar beslissingen worden genomen. Dat is geen neutraal taalverschil, maar een vorm van ongelijkheid die diep in het systeem zit.

Het taallandschap van Senegal laat zien dat de invloed van de koloniale tijd nog steeds doorwerkt. Hoewel het land politiek onafhankelijk is, is het officiële taalgebruik niet fundamenteel veranderd. Frans blijft de belangrijkste taal op scholen, in overheidscommunicatie en in veel publieke aanduidingen. Dat betekent dat succes en volwaardig meedoen in de samenleving nog steeds sterk verbonden zijn aan het beheersen van een koloniale taal.

Mijn eigen observaties maakten zichtbaar hoe diep deze taalideologie verankerd is in het dagelijkse leven. Taal is hier niet neutraal. Taal wijst aan wie toegang krijgt, wie wordt gezien en welke geschiedenis nog altijd doorwerkt in het heden.

dinsdag, mei 12, 2026

Fado com História in Tavira waar fado en rebetiko elkaar raken

Fado com História in Tavira is geen toeristenvoorstelling waarbij een paar muzikanten een keurig deuntje spelen voor bezoekers die na een half uur weer verder moeten. Dit is anders. Hier staan mensen die fado niet alleen zingen of begeleiden, maar bijna zelf fado zijn. Wij zagen een oudere muzikant die duidelijk met hart en ziel speelde, een jonge gitarist die door hem was opgeleid en een zangeres met een stem waar je meteen stil van wordt. 

De voorstelling vond plaats in de prachtige Igreja da Misericórdia van Tavira, wat de muziek nog intenser maakte. Fado heeft al iets sacraals, maar in zo’n ruimte krijgt iedere stem, iedere snaar en iedere stilte extra gewicht. Om de hoek hebben ze ook een klein theater waar ze optreden, dus de locatie kan verschillen, maar het kleinschalige en persoonlijke karakter blijft behouden. Er spelen verschillende artiesten, dus iedere voorstelling zal anders zijn, maar juist dat maakt het levend. Voor maar 10 euro krijg je niet alleen live fado, maar ook uitleg over de geschiedenis van deze muziek. 

Wat mij raakte, was dat het niet voelde als folklore voor toeristen. Het voelde echt. Fado is muziek die uit verlies, verlangen en lotsbesef komt. Het woord fado hangt samen met het Latijnse fatum, lot of noodlot, en dat hoor je ook. Het deed me denken aan de Griekse rebetiko. Fado en rebetiko zijn, als ze goed worden gebracht, geen keurige muziekgenres voor op de achtergrond. Het zijn stadse, doorleefde vormen van muziek, geboren uit verlangen, armoede, liefde, heimwee, pijn en overleven. Fado heeft saudade, dat bijna onvertaalbare Portugese gevoel van gemis en verlangen. Rebetiko heeft die rauwe Griekse pijn van mensen aan de rand van de samenleving, van havens, cafés, vluchtelingen, arbeiders en buitenstaanders. Eigenlijk zijn fado en rebetiko muzikale familieleden. De een spreekt Portugees, de ander Grieks, maar ze herkennen elkaar onmiddellijk. 

Misschien is dat precies waarom deze voorstelling zo binnenkwam. Er werd niet alleen gezongen. Er werd iets doorgegeven. Van oudere muzikant naar jonge leerling, van stem naar publiek, van geschiedenis naar gevoel. Fado werd hier niet uitgelegd als museumstuk, maar gespeeld alsof het nog steeds leeft. En dat deed het ook.


woensdag, mei 06, 2026

Hantavirus bereikt Sint-Helena via MV Hondius, maar Jonathan (194) maakt zich geen zorgen

Op Sint-Helena, waar nog geen 4.500 mensen wonen, is het ineens onrustig. Niet zichtbaar op elke straathoek, maar wel in gesprekken, berichten en officiële waarschuwingen. De passagiers van de MV Hondius zijn van 22 april tot en met 24 april aan land geweest. Dat is genoeg om de aandacht van St Helena Government volledig te richten op het voorkomen dat de Andesvariant van het hantavirus zich op het eiland verspreidt. Mensen die contact hebben gehad met passagiers worden gemonitord. Er is een oproep gedaan om alert te zijn op klachten. En de komende weken staan in het teken van opletten, afwachten en controleren. Op een eiland waar iedereen elkaar kent, voelt dat meteen dichtbij. Juist omdat het zo klein is, kan één contactmoment veel betekenen.

Dat kleine, afgelegen eiland in de Zuid- Atlantische Oceaan speelde al eerder een rol in de wereldgeschiedenis. Hier werd Napoleon Bonaparte na zijn nederlaag bij Waterloo naartoe verbannen. Hij bracht zijn laatste jaren door in Longwood House en overleed hier in 1821. Sindsdien is Sint-Helena een plek waar de grote wereldgeschiedenis even stil leek te staan, ver weg van oorlogen en machtsverschuivingen.

Misschien geen wereldnieuws, maar zeker niet onbelangrijk: Sint-Helena heeft een inwoner van 
194 jaar oud. De Reuzenschildpad Jonathan werd rond 1832 geboren. Toen Napoleon nog maar net overleden was en de wereld nog grotendeels per paard en schip bewoog. Hij kwam op Sint-Helena terecht toen het Britse rijk nog op zijn hoogtepunt was. Sindsdien heeft hij alles langs zien komen, zonder ooit echt “mee te doen”. Hij leeft in alle rust in de tuin van Plantation House

Hij heeft de opkomst van de trein gemist, maar ook de eerste auto’s. De uitvinding van elektriciteit, de telefoon, radio, televisie, het ging allemaal aan hem voorbij, terwijl hij rustig doorging met eten, slapen en een beetje rondlopen. Twee wereldoorlogen. Miljoenen doden. Grenzen die verschoven. Hij bleef zitten waar hij zat. De Spaanse griep, die wereldwijd tientallen miljoenen slachtoffers maakte. Geen effect op Jonathan. Hij at gewoon zijn bladeren. De landing op de maan. Mensen die voor het eerst de aarde verlieten. Jonathan keek waarschijnlijk niet eens op. 

Het internet, smartphones, kunstmatige intelligentie. Een wereld waarin mensen steeds sneller leven en steeds meer tegelijk doen. Jonathan? Die doet nog steeds ongeveer hetzelfde als 190 jaar geleden. En toen kwam COVID-19. De wereld ging op slot. Mensen bleven binnen, steden werden stil. En ergens op Sint-Helena liep Jonathan gewoon zijn rondje. "Het zal mijn tijd wel duren." 

En nu is er weer zo’n moment. Een virus bereikt het eiland. Zorgen, monitoring en waarschuwingen, maar niet voor Jonathan. Jonathan zit in zijn tuin. Afgeschermd, verzorgd, onaangedaan. Waar mensen elkaar in de gaten moeten houden, symptomen moeten herkennen en risico’s moeten inschatten, blijft zijn wereld klein en overzichtelijk. De wereld verandert voordurend, maar voor Jonathan is het gewoon weer een gebeurtenis die voorbijgaat. Heerlijk toch? 

zondag, mei 03, 2026

Ria Formosa: Europees betaald, lokaal vervuild

Het natuurgebied Ria Formosa strekt zich uit over zo’n 60 kilometer langs de Algarve in Portugal, van Ancão tot Manta Rota. Geen aaneengesloten kustlijn, maar een landschap van eilanden, zandbanken en lagunes die voortdurend in beweging zijn. Het is een wetland. Een gebied waar land en water in elkaar overlopen, waar zout en zoet elkaar ontmoeten en waar ecosystemen normaal gesproken juist rijker worden. Dit soort gebieden werken als natuurlijke filters, broedplaatsen voor vissen en als rustplek voor trekvogels. Ze horen vol leven te zijn.

Juist omdat wetlands zo kwetsbaar zijn, vallen ze vaak onder zware bescherming. Dat geldt hier ook. Ria Formosa is onderdeel van Natura 2000 en erkend als Ramsar-wetland. Het maakt deel uit van Europese beschermingsprogramma’s waarvoor veel subsidie beschikbaar is, zoals LIFE-projecten en nationale natuurfondsen. Er gaat hier geld naartoe om biodiversiteit te beschermen, ecosystemen te herstellen en duurzaamheid zichtbaar te maken voor bezoekers. Dit lijkt een voorbeeldproject.

En dat zie je ook meteen als je aankomt met de boot op Ilha de Tavira. Overal aanwijzingen en afvalscheiding tot in detail. Om de 5 meter 6 bakken voor afvalscheiding. Borden die uitleggen wat waar moet. Een metalen vis die plastic opvangt. “Protect our planet.” Het is georganiseerd en gecontroleerd.

Dit zou een hotspot moeten zijn voor trekvogels, voor soorten die je elders nauwelijks ziet. De bijeneter bijvoorbeeld. Een van de opvallendste vogels van Europa, felgekleurd, bijna tropisch. In veel beschrijvingen wordt hij genoemd als typische soort voor dit gebied, maar wij zagen hem niet. Sterker nog, we zagen überhaupt nauwelijks vogels. Je vraagt je af waarom er zoveel vogelreizen naar dit gebied georganiseerd worden en er overal vogelaars met verrekijkers rondlopen.

En dan loop je door. Aan de achterkant van het eiland ligt geen voorbeeldproject meer, maar een vuilstort van hout, deuren, pallets en oude apparaten. Koelkasten die staan te lekken in de zon, jerrycans, hopen afval die te groot zijn om nog tijdelijk te zijn. Alles wat aan de voorkant zorgvuldig wordt gescheiden, wordt hier gewoon in de duinen gedumpt. Tijdens je wandeling word je bijna omver gereden door tractoren die dat afval direct naar de beschermde duingebieden brengen. Aan de zijkant van het eiland zie je dat overig afval allemaal bij elkaar in containers wordt gegooid en per boot naar een andere plek wordt gebracht.

Een stukje verder zie je bomen waarvan de wortels bloot liggen. Geen stormschade, maar langzaam verlies. Zand dat verdwenen is, een eiland dat stukje bij beetje afkalft. Dit is kusterosie, maar niet in de rustige, natuurlijke vorm die bij een wetland hoort. Dit gebied is beschermd en wordt actief gepresenteerd als beschermd. Met beleid, geld en zichtbare maatregelen. Maar bescherming aan de voorkant is blijkbaar iets anders dan bescherming in de praktijk.

Afval wordt keurig gescheiden, om daarna ergens verderop weer gezellig bij elkaar te eindigen, toeristen worden strak gestuurd, maar blijven in steeds grotere aantallen komen. En de vogels waarvoor iedereen hierheen reist, lijken zich steeds minder te laten zien. Wat de ironie compleet maakt: hoe beter een gebied wordt beschermd en gepromoot, hoe groter de druk erop wordt, met meer afval, meer verstoring en minder ruimte als logisch gevolg. Dan dringt de vraag zich op wat er eigenlijk gebeurt met al dat Europese geld, want het lijkt alsof een deel ervan vooral is geïnvesteerd in mooie borden, keurige afvalbakken en een overtuigend decor waarin alles klopt. Totdat je een paar meter doorloopt, dan begrijp je dat zelfs een bijeneter het blijkbaar een goed idee vond om zijn koffers te pakken.


zaterdag, april 25, 2026

Vila Galé Albacora (Arraial Ferreira Neto): verborgen parel bij Tavira, Algarve Portugal

Ik had eerlijk gezegd altijd het beeld dat de Algarve in Portugal synoniem stond voor beton, hoogbouw en massatoerisme, een plek waar ik nog niet dood gevonden wilde worden. De westkant van de regio deed ook weinig om dat vooroordeel weg te nemen. Maar in het oosten ontdekte ik, bijna per ongeluk, een zeldzame parel zo dicht bij huis. Dit stukje Algarve in Portugal voelt totaal anders dan het beeld dat ik had. Het is een plek die zich niet aan je opdringt, maar zich langzaam prijsgeeft en juist daardoor iets in je losmaakt. In dit oude tonijnvissersdorp is de tijd niet verdwenen, maar als een zachte deken over het verleden heen gaan liggen. Je voelt dat bij Hotel VilaGalé Albacora. Eigenlijk moet ik zeggen Arraial Ferreira Neto, zoals het dorp oorspronkelijk heette.

Dit was nooit zomaar een dorp. Het werd in 1943 in één keer gebouwd, speciaal voor de tonijnvisserij. Geen plek die langzaam groeide, maar een gemeenschap die doelgericht werd neergezet rond één ding: tonijnvissen. Er waren woningen voor vissers en hun gezinnen, een school, een kapel, opslagruimtes en werkplaatsen. Alles stond in het teken van de Armação, de traditionele manier van tonijn vangen met vaste netten. In het seizoen kwam het dorp tot leven, daarna viel het weer stil. Een ritme dat bepaald werd door de zee.

Totdat dat ritme stopte. In de jaren 60 begon de neergang en in 1972 werd het dorp definitief verlaten. En dat is misschien wel het meest voelbare hier: dat dit geen plek is die langzaam leegliep, maar een plek die zijn reden van bestaan verloor. De huizen bleven staan, maar zonder stemmen. De straten zonder voetstappen. Jarenlang was dit een verlaten dorp, een plek waar alleen de wind en het zout nog hun werk deden. Je kunt je bijna voorstellen dat het hier ’s avonds niet alleen stil was, maar ook geladen. Niet eng, maar vol herinnering. 

Pas in 1999 kwam er weer leven in deze plaats, toen het werd gerestaureerd en heropend als Hotel Vila Galé Albacora. Maar ze hebben hier iets zeldzaams gedaan: ze hebben het dorp niet veranderd in een decor, maar het gelaten zoals het was. De structuur bleef, de gebouwen bleven, en daarmee ook het gevoel dat je hier niet in een hotel bent, maar op een plek met een verleden dat nog niet verdwenen is. En dat voel je. De lage huisjes, de smalle straatjes met kinderkopjes, de muren in zachte okertinten, alles ademt een leven dat hier ooit echt was. Als je er doorheen loopt, voelt het niet alsof je ergens logeert, maar alsof je ergens te gast bent, waar de tijd een beetje stil is blijven staan.

In het kleine museum komen die mensen van weleer ineens dichtbij. Mannen die met enorme tonijnen poseren, gezinnen die hier woonden, werkten, leefden. Dan kijk je naar je eigen kamer, die eerlijk gezegd vrij klein is, en dan vraag je je af: hoe leefden zij hier met een heel gezin? Hoe klonk dat, hoe rook dat, hoeveel ruimte had je om even alleen te zijn? Waar sliep het hele gezin? Het maakt iets los. Het haalt het hotel als decor weg en laat het menselijke weer zichtbaar worden.

Er is hier een rust die moeilijk uit te leggen is. Geen opgelegde stilte, maar een soort vanzelfsprekende kalmte. Alsof de plek zelf geen haast kent. Overdag is het al voelbaar, maar ’s avonds wordt het bijna tastbaar. Dan valt er iets over het terrein heen wat je alleen maar kunt ervaren. Geen lawaai, geen drukte, alleen vogelgekwetter en, minder romantisch, het gezoem van muggen. En toch dat stille besef dat alles klopt, alsof het leven hier even precies is zoals het bedoeld is. Dan zit je daar, in je kleine tuintje bij je kamer. Je eigen stukje, omsloten door groen, met uitzicht op die eenvoudige huizen die ooit vol leven zaten. En gek genoeg voelt het niet als een hotelkamer, maar als iets dat dichter bij thuis ligt. Alsof je er even bij hoort.

Wat het misschien nog bijzonderder maakt, is dat het oude leven hier niet alleen zichtbaar is, maar nog steeds een plek heeft. De school, de kerk en het museum zijn geen decorstukken, maar ankers van wat hier was. Je loopt een kapel binnen en het licht valt door een gekleurd raam precies op het altaar en je beseft dat dit ooit het centrum van een gemeenschap was.

En dan is er kat Shiva. Ze gedraagt zich alsof ze de leiding heeft over het hotel en misschien is dat ook wel zo. Ze verwelkomt de gasten, loopt met je mee om de weg naar het ontbijt te wijzen. Ze weet precies waar je moet zijn. En tussendoor ligt ze op een bank in de lobby te slapen, alsof alles onder controle is.

En alsof dat nog niet genoeg is, ligt deze plek ook nog eens midden in het natuurgebied Ria Formosa, een eindje buiten Tavira. Dat contrast is misschien wel het mooiste van alles. Overdag of ’s avonds in Tavira, overigens een prachtige stad, maar daarover later meer, en dan terug. Met een Uber die eerst nog door de drukte van de stad rijdt en dan ineens de weg opgaat door het natuurgebied. Donkerder, stiller, opener. En dan kom je hier weer aan en stap je opnieuw die andere wereld binnen. Alsof je niet alleen een afstand hebt afgelegd, maar ook een laag van de werkelijkheid achter je laat.

Misschien is dat wel de kern van deze plek. Dat niets hier hard roept om aandacht, maar alles wel iets zegt. In de geschiedenis die nog in de muren zit, in de stilte van de avond, in de foto’s van de vissers, in de kleine kamers die je dwingen na te denken over hoe anders het leven kan zijn.

Ik had dit nooit verwacht van de Algarve. Maar misschien zit het geheim juist daarin. Dat je soms, op een plek die je al denkt te kennen, ineens een wereld binnenstapt die daar al die tijd gewoon was. Verlaten, bewaard en uiteindelijk opnieuw tot leven gekomen, zonder zijn ziel te verliezen.


dinsdag, maart 24, 2026

Welkom aan boord van de vaagtaalmaatschappij, waar iedereen incheckt en niemand nog iets te zeggen heeft

Er is iets vreemds aan de hand met taal en niemand lijkt het door te hebben. Opeens “checken” we niet meer gewoon hoe het met iemand gaat, nee, we “checken even in bij elkaar”. Alsof elk gesprek een soort vlucht is en we allemaal met handbagage door het leven lopen. “Hoe gaat het met je?” - “Moment, ik moet eerst even inchecken.”

Het klinkt modern, professioneel, een tikje therapeutisch misschien zelfs, maar eigenlijk is het gewoon opgeblazen lucht. Want wat bedoel je nu echt? Dat je even belt? Even vraagt hoe het gaat? Waarom moet daar ineens een Engelse luchthavenmetafoor overheen gegoten worden?

Het grappige is: in België zeggen ze dat je “vliegt” als je niet helemaal spoort. En bij ons: “die ziet ze vliegen.” Dat komt verdacht dicht in de buurt. Want als iedereen voortdurend aan het “inchecken” is, dan zijn we collectief blijkbaar al opgestegen. Bestemming: vaagtaal.

Er zit ook iets ontwijkends in. “Inchecken” klinkt veiliger dan gewoon zeggen: “Hoe gaat het echt met je?” Het haalt de scherpte eruit, maakt het afstandelijker. Alsof je niet meer echt contact maakt, maar een soort procedure doorloopt. Gesprek als ritueel, niet als ontmoeting.

Misschien moeten we het gewoon weer simpel maken. Niet inchecken, maar praten of nog beter: luisteren. Als iemand zegt: “Zullen we even inchecken?”, dan weet ik één ding zeker: dit gesprek is al geland voordat het begonnen is.