woensdag, mei 06, 2026

Hantavirus bereikt Sint-Helena via MV Hondius, maar Jonathan (194) maakt zich geen zorgen

Op Sint-Helena, waar nog geen 4.500 mensen wonen, is het ineens onrustig. Niet zichtbaar op elke straathoek, maar wel in gesprekken, berichten en officiële waarschuwingen. De passagiers van de MV Hondius zijn van 22 april tot en met 24 april aan land geweest. Dat is genoeg om de aandacht van St Helena Government volledig te richten op het voorkomen dat de Andesvariant van het hantavirus zich op het eiland verspreidt. Mensen die contact hebben gehad met passagiers worden gemonitord. Er is een oproep gedaan om alert te zijn op klachten. En de komende weken staan in het teken van opletten, afwachten en controleren. Op een eiland waar iedereen elkaar kent, voelt dat meteen dichtbij. Juist omdat het zo klein is, kan één contactmoment veel betekenen.

Dat kleine, afgelegen eiland in de Zuid- Atlantische Oceaan speelde al eerder een rol in de wereldgeschiedenis. Hier werd Napoleon Bonaparte na zijn nederlaag bij Waterloo naartoe verbannen. Hij bracht zijn laatste jaren door in Longwood House en overleed hier in 1821. Sindsdien is Sint-Helena een plek waar de grote wereldgeschiedenis even stil leek te staan, ver weg van oorlogen en machtsverschuivingen.

Misschien geen wereldnieuws, maar zeker niet onbelangrijk: Sint-Helena heeft een inwoner van 
194 jaar oud. De Reuzenschildpad Jonathan werd rond 1832 geboren. Toen Napoleon nog maar net overleden was en de wereld nog grotendeels per paard en schip bewoog. Hij kwam op Sint-Helena terecht toen het Britse rijk nog op zijn hoogtepunt was. Sindsdien heeft hij alles langs zien komen, zonder ooit echt “mee te doen”. Hij leeft in alle rust in de tuin van Plantation House

Hij heeft de opkomst van de trein gemist, maar ook de eerste auto’s. De uitvinding van elektriciteit, de telefoon, radio, televisie, het ging allemaal aan hem voorbij, terwijl hij rustig doorging met eten, slapen en een beetje rondlopen. Twee wereldoorlogen. Miljoenen doden. Grenzen die verschoven. Hij bleef zitten waar hij zat. De Spaanse griep, die wereldwijd tientallen miljoenen slachtoffers maakte. Geen effect op Jonathan. Hij at gewoon zijn bladeren. De landing op de maan. Mensen die voor het eerst de aarde verlieten. Jonathan keek waarschijnlijk niet eens op. 

Het internet, smartphones, kunstmatige intelligentie. Een wereld waarin mensen steeds sneller leven en steeds meer tegelijk doen. Jonathan? Die doet nog steeds ongeveer hetzelfde als 190 jaar geleden. En toen kwam COVID-19. De wereld ging op slot. Mensen bleven binnen, steden werden stil. En ergens op Sint-Helena liep Jonathan gewoon zijn rondje. "Het zal mijn tijd wel duren." 

En nu is er weer zo’n moment. Een virus bereikt het eiland. Zorgen, monitoring en waarschuwingen, maar niet voor Jonathan. Jonathan zit in zijn tuin. Afgeschermd, verzorgd, onaangedaan. Waar mensen elkaar in de gaten moeten houden, symptomen moeten herkennen en risico’s moeten inschatten, blijft zijn wereld klein en overzichtelijk. De wereld verandert voordurend, maar voor Jonathan is het gewoon weer een gebeurtenis die voorbijgaat. Heerlijk toch? 

zondag, mei 03, 2026

Ria Formosa: Europees betaald, lokaal vervuild

Het natuurgebied Ria Formosa strekt zich uit over zo’n 60 kilometer langs de Algarve in Portugal, van Ancão tot Manta Rota. Geen aaneengesloten kustlijn, maar een landschap van eilanden, zandbanken en lagunes die voortdurend in beweging zijn. Het is een wetland. Een gebied waar land en water in elkaar overlopen, waar zout en zoet elkaar ontmoeten en waar ecosystemen normaal gesproken juist rijker worden. Dit soort gebieden werken als natuurlijke filters, broedplaatsen voor vissen en als rustplek voor trekvogels. Ze horen vol leven te zijn.

Juist omdat wetlands zo kwetsbaar zijn, vallen ze vaak onder zware bescherming. Dat geldt hier ook. Ria Formosa is onderdeel van Natura 2000 en erkend als Ramsar-wetland. Het maakt deel uit van Europese beschermingsprogramma’s waarvoor veel subsidie beschikbaar is, zoals LIFE-projecten en nationale natuurfondsen. Er gaat hier geld naartoe om biodiversiteit te beschermen, ecosystemen te herstellen en duurzaamheid zichtbaar te maken voor bezoekers. Dit lijkt een voorbeeldproject.

En dat zie je ook meteen als je aankomt met de boot op Ilha de Tavira. Overal aanwijzingen en afvalscheiding tot in detail. Om de 5 meter 6 bakken voor afvalscheiding. Borden die uitleggen wat waar moet. Een metalen vis die plastic opvangt. “Protect our planet.” Het is georganiseerd en gecontroleerd.

Dit zou een hotspot moeten zijn voor trekvogels, voor soorten die je elders nauwelijks ziet. De bijeneter bijvoorbeeld. Een van de opvallendste vogels van Europa, felgekleurd, bijna tropisch. In veel beschrijvingen wordt hij genoemd als typische soort voor dit gebied, maar wij zagen hem niet. Sterker nog, we zagen überhaupt nauwelijks vogels. Je vraagt je af waarom er zoveel vogelreizen naar dit gebied georganiseerd worden en er overal vogelaars met verrekijkers rondlopen.

En dan loop je door. Aan de achterkant van het eiland ligt geen voorbeeldproject meer, maar een vuilstort van hout, deuren, pallets en oude apparaten. Koelkasten die staan te lekken in de zon, jerrycans, hopen afval die te groot zijn om nog tijdelijk te zijn. Alles wat aan de voorkant zorgvuldig wordt gescheiden, wordt hier gewoon in de duinen gedumpt. Tijdens je wandeling word je bijna omver gereden door tractoren die dat afval direct naar de beschermde duingebieden brengen. Aan de zijkant van het eiland zie je dat overig afval allemaal bij elkaar in containers wordt gegooid en per boot naar een andere plek wordt gebracht.

Een stukje verder zie je bomen waarvan de wortels bloot liggen. Geen stormschade, maar langzaam verlies. Zand dat verdwenen is, een eiland dat stukje bij beetje afkalft. Dit is kusterosie, maar niet in de rustige, natuurlijke vorm die bij een wetland hoort. Dit gebied is beschermd en wordt actief gepresenteerd als beschermd. Met beleid, geld en zichtbare maatregelen. Maar bescherming aan de voorkant is blijkbaar iets anders dan bescherming in de praktijk.

Afval wordt keurig gescheiden, om daarna ergens verderop weer gezellig bij elkaar te eindigen, toeristen worden strak gestuurd, maar blijven in steeds grotere aantallen komen. En de vogels waarvoor iedereen hierheen reist, lijken zich steeds minder te laten zien. Wat de ironie compleet maakt: hoe beter een gebied wordt beschermd en gepromoot, hoe groter de druk erop wordt, met meer afval, meer verstoring en minder ruimte als logisch gevolg. Dan dringt de vraag zich op wat er eigenlijk gebeurt met al dat Europese geld, want het lijkt alsof een deel ervan vooral is geïnvesteerd in mooie borden, keurige afvalbakken en een overtuigend decor waarin alles klopt. Totdat je een paar meter doorloopt, dan begrijp je dat zelfs een bijeneter het blijkbaar een goed idee vond om zijn koffers te pakken.


zaterdag, april 25, 2026

Vila Galé Albacora (Arraial Ferreira Neto): verborgen parel bij Tavira, Algarve Portugal

Ik had eerlijk gezegd altijd het beeld dat de Algarve in Portugal synoniem stond voor beton, hoogbouw en massatoerisme, een plek waar ik nog niet dood gevonden wilde worden. De westkant van de regio deed ook weinig om dat vooroordeel weg te nemen. Maar in het oosten ontdekte ik, bijna per ongeluk, een zeldzame parel zo dicht bij huis. Dit stukje Algarve in Portugal voelt totaal anders dan het beeld dat ik had. Het is een plek die zich niet aan je opdringt, maar zich langzaam prijsgeeft en juist daardoor iets in je losmaakt. In dit oude tonijnvissersdorp is de tijd niet verdwenen, maar als een zachte deken over het verleden heen gaan liggen. Je voelt dat bij Hotel VilaGalé Albacora. Eigenlijk moet ik zeggen Arraial Ferreira Neto, zoals het dorp oorspronkelijk heette.

Dit was nooit zomaar een dorp. Het werd in 1943 in één keer gebouwd, speciaal voor de tonijnvisserij. Geen plek die langzaam groeide, maar een gemeenschap die doelgericht werd neergezet rond één ding: tonijnvissen. Er waren woningen voor vissers en hun gezinnen, een school, een kapel, opslagruimtes en werkplaatsen. Alles stond in het teken van de Armação, de traditionele manier van tonijn vangen met vaste netten. In het seizoen kwam het dorp tot leven, daarna viel het weer stil. Een ritme dat bepaald werd door de zee.

Totdat dat ritme stopte. In de jaren 60 begon de neergang en in 1972 werd het dorp definitief verlaten. En dat is misschien wel het meest voelbare hier: dat dit geen plek is die langzaam leegliep, maar een plek die zijn reden van bestaan verloor. De huizen bleven staan, maar zonder stemmen. De straten zonder voetstappen. Jarenlang was dit een verlaten dorp, een plek waar alleen de wind en het zout nog hun werk deden. Je kunt je bijna voorstellen dat het hier ’s avonds niet alleen stil was, maar ook geladen. Niet eng, maar vol herinnering. 

Pas in 1999 kwam er weer leven in deze plaats, toen het werd gerestaureerd en heropend als Hotel Vila Galé Albacora. Maar ze hebben hier iets zeldzaams gedaan: ze hebben het dorp niet veranderd in een decor, maar het gelaten zoals het was. De structuur bleef, de gebouwen bleven, en daarmee ook het gevoel dat je hier niet in een hotel bent, maar op een plek met een verleden dat nog niet verdwenen is. En dat voel je. De lage huisjes, de smalle straatjes met kinderkopjes, de muren in zachte okertinten, alles ademt een leven dat hier ooit echt was. Als je er doorheen loopt, voelt het niet alsof je ergens logeert, maar alsof je ergens te gast bent, waar de tijd een beetje stil is blijven staan.

In het kleine museum komen die mensen van weleer ineens dichtbij. Mannen die met enorme tonijnen poseren, gezinnen die hier woonden, werkten, leefden. Dan kijk je naar je eigen kamer, die eerlijk gezegd vrij klein is, en dan vraag je je af: hoe leefden zij hier met een heel gezin? Hoe klonk dat, hoe rook dat, hoeveel ruimte had je om even alleen te zijn? Waar sliep het hele gezin? Het maakt iets los. Het haalt het hotel als decor weg en laat het menselijke weer zichtbaar worden.

Er is hier een rust die moeilijk uit te leggen is. Geen opgelegde stilte, maar een soort vanzelfsprekende kalmte. Alsof de plek zelf geen haast kent. Overdag is het al voelbaar, maar ’s avonds wordt het bijna tastbaar. Dan valt er iets over het terrein heen wat je alleen maar kunt ervaren. Geen lawaai, geen drukte, alleen vogelgekwetter en, minder romantisch, het gezoem van muggen. En toch dat stille besef dat alles klopt, alsof het leven hier even precies is zoals het bedoeld is. Dan zit je daar, in je kleine tuintje bij je kamer. Je eigen stukje, omsloten door groen, met uitzicht op die eenvoudige huizen die ooit vol leven zaten. En gek genoeg voelt het niet als een hotelkamer, maar als iets dat dichter bij thuis ligt. Alsof je er even bij hoort.

Wat het misschien nog bijzonderder maakt, is dat het oude leven hier niet alleen zichtbaar is, maar nog steeds een plek heeft. De school, de kerk en het museum zijn geen decorstukken, maar ankers van wat hier was. Je loopt een kapel binnen en het licht valt door een gekleurd raam precies op het altaar en je beseft dat dit ooit het centrum van een gemeenschap was.

En dan is er kat Shiva. Ze gedraagt zich alsof ze de leiding heeft over het hotel en misschien is dat ook wel zo. Ze verwelkomt de gasten, loopt met je mee om de weg naar het ontbijt te wijzen. Ze weet precies waar je moet zijn. En tussendoor ligt ze op een bank in de lobby te slapen, alsof alles onder controle is.

En alsof dat nog niet genoeg is, ligt deze plek ook nog eens midden in het natuurgebied Ria Formosa, een eindje buiten Tavira. Dat contrast is misschien wel het mooiste van alles. Overdag of ’s avonds in Tavira, overigens een prachtige stad, maar daarover later meer, en dan terug. Met een Uber die eerst nog door de drukte van de stad rijdt en dan ineens de weg opgaat door het natuurgebied. Donkerder, stiller, opener. En dan kom je hier weer aan en stap je opnieuw die andere wereld binnen. Alsof je niet alleen een afstand hebt afgelegd, maar ook een laag van de werkelijkheid achter je laat.

Misschien is dat wel de kern van deze plek. Dat niets hier hard roept om aandacht, maar alles wel iets zegt. In de geschiedenis die nog in de muren zit, in de stilte van de avond, in de foto’s van de vissers, in de kleine kamers die je dwingen na te denken over hoe anders het leven kan zijn.

Ik had dit nooit verwacht van de Algarve. Maar misschien zit het geheim juist daarin. Dat je soms, op een plek die je al denkt te kennen, ineens een wereld binnenstapt die daar al die tijd gewoon was. Verlaten, bewaard en uiteindelijk opnieuw tot leven gekomen, zonder zijn ziel te verliezen.


dinsdag, maart 24, 2026

Welkom aan boord van de vaagtaalmaatschappij, waar iedereen incheckt en niemand nog iets te zeggen heeft

Er is iets vreemds aan de hand met taal en niemand lijkt het door te hebben. Opeens “checken” we niet meer gewoon hoe het met iemand gaat, nee, we “checken even in bij elkaar”. Alsof elk gesprek een soort vlucht is en we allemaal met handbagage door het leven lopen. “Hoe gaat het met je?” - “Moment, ik moet eerst even inchecken.”

Het klinkt modern, professioneel, een tikje therapeutisch misschien zelfs, maar eigenlijk is het gewoon opgeblazen lucht. Want wat bedoel je nu echt? Dat je even belt? Even vraagt hoe het gaat? Waarom moet daar ineens een Engelse luchthavenmetafoor overheen gegoten worden?

Het grappige is: in België zeggen ze dat je “vliegt” als je niet helemaal spoort. En bij ons: “die ziet ze vliegen.” Dat komt verdacht dicht in de buurt. Want als iedereen voortdurend aan het “inchecken” is, dan zijn we collectief blijkbaar al opgestegen. Bestemming: vaagtaal.

Er zit ook iets ontwijkends in. “Inchecken” klinkt veiliger dan gewoon zeggen: “Hoe gaat het echt met je?” Het haalt de scherpte eruit, maakt het afstandelijker. Alsof je niet meer echt contact maakt, maar een soort procedure doorloopt. Gesprek als ritueel, niet als ontmoeting.

Misschien moeten we het gewoon weer simpel maken. Niet inchecken, maar praten of nog beter: luisteren. Als iemand zegt: “Zullen we even inchecken?”, dan weet ik één ding zeker: dit gesprek is al geland voordat het begonnen is.

vrijdag, maart 20, 2026

Floriade 2.0: duur, groen op papier en de motor draait gewoon door

Soms heb je van die momenten waarop alles samenkomt: duurzaamheid, beleid, goede bedoelingen en een graafmachine die anderhalf uur staat te ronken alsof we nog in een tijd leven waarin brandstof spotgoedkoop was. Bij ons in de buurt zijn ze tot eind december bezig met het riool. Op zich prima, want niemand wil terug naar de middeleeuwen, maar wat zich hier gisteren afspeelde was toch wel bijzonder.

Daar stonden ze: twee mannen, een container, een busje en een hijskraan die niets deed behalve draaien. Anderhalf uur lang. Niemand wist waarop er gewacht werd, maar de motor bleef vrolijk lopen. En dat in een tijd waarin diesel zo’n beetje vloeibaar goud is geworden. Want laten we eerlijk zijn: door de oorlogen en spanningen in het Midden-Oosten en de dreiging rond de Straat van Hormuz schieten de prijzen omhoog. Je zit inmiddels rond de €2,568 per liter diesel. Zo’n kraan verbruikt gemiddeld zo’n 15 liter per uur. Dus reken even mee: €38,52 per uur aan brandstof. Anderhalf uur wachten? Dan kost dat gewoon €57,78. Voor helemaal niets.

Het wordt nog mooier, want na anderhalf uur wachten, gebeurde er niets. Geen levering, geen collega, geen actie. Ze stapten gewoon weer in en reden weg. Graafmachine/ hijskraan mee, einde voorstelling. Met andere woorden: anderhalf uur diesel verstookt, uitstoot geproduceerd, kosten gemaakt en nul resultaat. Zelfs Kafka zou hier stil van worden.

En dat allemaal in Almere, een stad die zichzelf graag neerzet als groen en duurzaam. Prachtige ambitie, maar op mijn terras rook het gisteren vooral naar uitlaatgassen en gemiste kansen. Dat groene ideaal doet denken aan de Floriade: groot, ambitieus en duurzaam op papier, maar uiteindelijk een dure mislukking. Duurzaamheid zit hem niet alleen in grote plannen en mooie woorden, maar juist in dit soort simpele momenten. Zoals: zet die motor uit als je niets doet. Of nog beter: zorg dat je überhaupt weet waarvoor je komt.

Het zal wel een extern bedrijf zijn. Die rekenen alles door. En uiteindelijk betalen wij dat gewoon via de gemeente. Dus wij betalen voor de diesel, wij betalen voor de stilstand en wij zitten ook nog eens in de giftige dampen. Dat is pas een all-inclusive ervaring. Het meest bizarre blijft dat ze het heel normaal leken te vinden. Terwijl als jij in deze tijd je auto anderhalf uur voor de deur laat draaien zonder ergens heen te gaan, je jezelf toch echt even achter de oren zou krabben als je de benzineprijs ziet.

Als je nu kijkt hoe het erbij ligt, een rioolpijp die als een soort vreemd monument omhoogsteekt, met een klep ervoor alsof hij iets belangrijks tegenhoudt, dan vraag je je toch af wat hier precies de bedoeling is. Een soort lokale Straat van Hormuz, waar van alles stilvalt, kosten oplopen en iedereen wacht, maar niemand die echt lijkt te weten waar het heen gaat. 

UPDATE 27-03-2027 En toen gebeurde er iets spectaculairs. Na dagen van wachten, kijken en diesel verstoken is er eindelijk beweging in het project gekomen: er zijn buizen gearriveerd. Niet zomaar buizen, maar een indrukwekkende stapel roestbruine exemplaren. Er kwam een vrachtwagen met een kunstwerk van gestapelde buizen, waarna een grijparm ze een voor een begon te verplaatsen. De roestkleur geeft het ook nog een nostalgisch tintje, alsof we hier niet een modern riool aanleggen, maar een archeologische opgraving doen naar de gloriedagen van de Nederlandse infrastructuur. Kortom: er gebeurt iets. 

dinsdag, maart 17, 2026

De dag dat ik officieel “Mevrouw Wil Ik Niet” werd

 

Vandaag lag er een keurige envelop op de mat van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Altijd leuk, want dat betekent meestal dat je weer mag bijdragen aan “belangrijke cijfers voor Nederland”.

Ik maak hem open, kijk op de adressering en daar staat het: Mevrouw E. WIL IK NIET. Dat is dus precies wie ik ben. Niet Erika, maar een levenshouding in hoofdletters. Mevrouw Wil ik niet. Alsof het CBS eindelijk doorheeft hoe Nederlanders echt in het leven staan als er weer een enquête binnenkomt.

“Wilt u even 25 vragen beantwoorden over uw mediagebruik?”
Ik: wil ik niet.
“Wilt u meewerken aan onderzoek naar uw huishouden?”
Ik: wil ik niet.
“Wilt u…”
Nee.

Er bestaat een hele groep mensen die dit tot principe hebben verheven: de zogeheten soevereinen of autonomen. Die willen geen belasting betalen, geen bemoeienis van de overheid en het liefst ook geen regels, behalve als het in hun voordeel werkt. Vergeleken daarmee valt mijn “wil ik niet” eigenlijk nog reuze mee.

Blijkbaar hebben ze dat ergens netjes geregistreerd. En nog beter: ze hebben besloten dat dit voortaan gewoon mijn naam is. Het mooie is dat het ook iets bevrijdends heeft. Je hoeft nergens meer omheen te draaien. Geen sociaal wenselijke antwoorden, geen beleefd glimlachen. Gewoon eerlijk: wil ik niet. Misschien moet ik het maar officieel laten aanpassen. Scheelt een hoop tijd bij toekomstige formulieren.

Groeten van,

Mevrouw Wil ik niet

zondag, maart 15, 2026

Het geheim van lang leven? Deze barista van 101 weet het

In Nederland schuift de pensioenleeftijd steeds verder op. Officieel om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden, maar je kunt het ook anders bekijken: we zijn gewoon in training voor het model-Anna. In Nebbiuno, bij het Lago Maggiore, staat Anna Possi namelijk op haar 101e nog elke dag achter de bar van Bar Centrale. Sinds 1958 schenkt ze koffie, ruimt tafels af, opent om zeven uur ’s ochtends en sluit pas rond zeven uur ’s avonds. Pensioenplannen heeft ze niet.

Possi runt het café al sinds 1974 alleen, nadat haar man overleed. Ze maakt de espresso’s zelf, houdt het café draaiende, hakt soms zelfs hout en leest tussendoor op haar computer het nieuws en de beurskoersen. Haar geheim volgens eigen zeggen: actief blijven, een beetje humor en ’s avonds een blikje limonade.

Misschien is dat precies wat tegenwoordig zo modieus ‘longevity heet. Of, nog preciezer, wat de Japanners Ikigai noemen: een reden om ’s ochtends op te staan, iets dat je leven betekenis geeft en waardoor je actief blijft.

In Nederland praten we vooral over wanneer we mogen stoppen met werken. In Nebbiuno staat een vrouw van 101 gewoon koffie te schenken, omdat ze simpelweg niet anders wil. Misschien is dat het echte geheim van een lang leven: niet aftellen tot je pensioen, maar iets hebben waarvoor je elke ochtend weer opstaat.