Er is iets
vreemds aan de hand met taal en niemand lijkt het door te hebben. Opeens
“checken” we niet meer gewoon hoe het met iemand gaat, nee, we “checken even in
bij elkaar”. Alsof elk gesprek een soort vlucht is en we allemaal met
handbagage door het leven lopen. “Hoe gaat het met je?” - “Moment, ik moet
eerst even inchecken.”
Het
klinkt modern, professioneel, een tikje therapeutisch misschien zelfs, maar
eigenlijk is het gewoon opgeblazen lucht. Want wat bedoel je nu echt? Dat je
even belt? Even vraagt hoe het gaat? Waarom moet daar ineens een Engelse
luchthavenmetafoor overheen gegoten worden?
Het
grappige is: in België zeggen ze dat je “vliegt” als je niet helemaal spoort.
En bij ons: “die ziet ze vliegen.” Dat komt verdacht dicht in de buurt. Want
als iedereen voortdurend aan het “inchecken” is, dan zijn we collectief
blijkbaar al opgestegen. Bestemming: vaagtaal.
Er
zit ook iets ontwijkends in. “Inchecken” klinkt veiliger dan gewoon zeggen: “Hoe
gaat het echt met je?” Het haalt de scherpte eruit, maakt het afstandelijker.
Alsof je niet meer echt contact maakt, maar een soort procedure doorloopt.
Gesprek als ritueel, niet als ontmoeting.
Misschien moeten we het gewoon weer simpel maken. Niet inchecken, maar praten of nog beter: luisteren. Als iemand zegt: “Zullen we even inchecken?”, dan weet ik één ding zeker: dit gesprek is al geland voordat het begonnen is.
Soms heb je
van die momenten waarop alles samenkomt: duurzaamheid, beleid, goede
bedoelingen en een graafmachine die anderhalf uur staat te ronken alsof we nog
in een tijd leven waarin brandstof spotgoedkoop was. Bij ons in de buurt
zijn ze tot eind december bezig met het riool. Op zich prima, want niemand wil
terug naar de middeleeuwen, maar wat zich hier gisteren afspeelde was toch wel
bijzonder.
Daar
stonden ze: twee mannen, een container, een busje en een hijskraan die niets
deed behalve draaien. Anderhalf uur lang. Niemand wist waarop er gewacht werd,
maar de motor bleef vrolijk lopen. En dat in een tijd waarin diesel zo’n beetje
vloeibaar goud is geworden. Want laten we eerlijk zijn: door de oorlogen en
spanningen in het Midden-Oosten en de dreiging rond de Straat van Hormuz
schieten de prijzen omhoog. Je zit inmiddels rond de €2,568 per liter diesel.
Zo’n kraan verbruikt gemiddeld zo’n 15 liter per uur. Dus reken even mee:
€38,52 per uur aan brandstof. Anderhalf uur wachten? Dan kost dat gewoon
€57,78. Voor helemaal niets.
Het wordt
nog mooier, want na anderhalf uur wachten, gebeurde er niets. Geen levering,
geen collega, geen actie. Ze stapten gewoon weer in en reden weg. Graafmachine/
hijskraan mee, einde voorstelling. Met andere woorden: anderhalf uur diesel
verstookt, uitstoot geproduceerd, kosten gemaakt en nul resultaat. Zelfs Kafka
zou hier stil van worden.
En dat allemaal in Almere, een stad die zichzelf graag
neerzet als groen en duurzaam. Prachtige ambitie, maar op mijn terras rook het
gisteren vooral naar uitlaatgassen en gemiste kansen. Dat groene
ideaal doet denken aan de Floriade: groot, ambitieus en duurzaam op papier,
maar uiteindelijk een dure mislukking. Duurzaamheid zit hem
niet alleen in grote plannen en mooie woorden, maar juist in dit soort simpele
momenten. Zoals: zet die motor uit als je niets doet. Of nog beter: zorg dat je
überhaupt weet waarvoor je komt.
Het zal wel een extern bedrijf zijn. Die rekenen alles
door. En uiteindelijk betalen wij dat gewoon via de gemeente. Dus wij betalen
voor de diesel, wij betalen voor de stilstand en wij zitten ook nog eens in de giftige
dampen. Dat is pas een all-inclusive ervaring. Het meest bizarre blijft dat ze
het heel normaal leken te vinden. Terwijl als jij in deze tijd je auto
anderhalf uur voor de deur laat draaien zonder ergens heen te gaan, je jezelf
toch echt even achter de oren zou krabben als je de benzineprijs ziet.
Als je nu
kijkt hoe het erbij ligt, een rioolpijp die als een soort vreemd monument
omhoogsteekt, met een klep ervoor alsof hij iets belangrijks tegenhoudt, dan
vraag je je toch af wat hier precies de bedoeling is. Een soort lokale
Straat van Hormuz, waar van alles stilvalt, kosten oplopen en iedereen wacht, maar
niemand die echt lijkt te weten waar het heen gaat.
Vandaag lag er een keurige envelop op de mat van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Altijd leuk, want dat betekent meestal dat je weer mag bijdragen aan “belangrijke cijfers voor Nederland”.
Ik maak hem open, kijk op de adressering en daar staat het: Mevrouw E. WIL IK NIET. Dat is dus precies wie ik ben. Niet Erika, maar een levenshouding in hoofdletters. Mevrouw Wil ik niet. Alsof het CBS eindelijk doorheeft hoe Nederlanders echt in het leven staan als er weer een enquête binnenkomt.
“Wilt u even 25 vragen beantwoorden over uw mediagebruik?”
Ik: wil ik niet.
“Wilt u meewerken aan onderzoek naar uw huishouden?”
Ik: wil ik niet.
“Wilt u…”
Nee.
Er bestaat een hele groep mensen die dit tot principe hebben verheven: de zogeheten soevereinen of autonomen. Die willen geen belasting betalen, geen bemoeienis van de overheid en het liefst ook geen regels, behalve als het in hun voordeel werkt. Vergeleken daarmee valt mijn “wil ik niet” eigenlijk nog reuze mee.
Blijkbaar hebben ze dat ergens netjes geregistreerd. En nog beter: ze hebben besloten dat dit voortaan gewoon mijn naam is. Het mooie is dat het ook iets bevrijdends heeft. Je hoeft nergens meer omheen te draaien. Geen sociaal wenselijke antwoorden, geen beleefd glimlachen. Gewoon eerlijk: wil ik niet. Misschien moet ik het maar officieel laten aanpassen. Scheelt een hoop tijd bij toekomstige formulieren.
In Nederland
schuift de pensioenleeftijd steeds verder op. Officieel om de verzorgingsstaat
betaalbaar te houden, maar je kunt het ook anders bekijken: we zijn gewoon in
training voor het model-Anna. In Nebbiuno, bij het Lago Maggiore, staat Anna
Possi namelijk op haar 101e nog elke dag achter de bar van Bar Centrale. Sinds
1958 schenkt ze koffie, ruimt tafels af, opent om zeven uur ’s ochtends en
sluit pas rond zeven uur ’s avonds. Pensioenplannen heeft ze niet.
Possi
runt het café al sinds 1974 alleen, nadat haar man overleed. Ze maakt de
espresso’s zelf, houdt het café draaiende, hakt soms zelfs hout en leest
tussendoor op haar computer het nieuws en de beurskoersen. Haar geheim volgens
eigen zeggen: actief blijven, een beetje humor en ’s avonds een blikje
limonade.
Misschien
is dat precies wat tegenwoordig zo modieus ‘longevity heet. Of, nog preciezer,
wat de Japanners Ikigai noemen: een reden om ’s ochtends op te staan, iets dat je leven betekenis geeft
en waardoor je actief blijft.
In Nederland praten we vooral over wanneer we mogen
stoppen met werken. In Nebbiuno staat een vrouw van 101 gewoon koffie te
schenken, omdat ze simpelweg niet anders wil. Misschien is dat het echte geheim
van een lang leven: niet aftellen tot je pensioen, maar iets hebben waarvoor je
elke ochtend weer opstaat.
Kharg (spreek uit als ‘Gark’), een klein eiland in de Perzische Golf, staat in
het middelpunt van de wereldpolitiek. Kharg duikt steeds vaker op in discussies
in over sancties, druk op Iran en mogelijke militaire stappen. Dat
is geen toeval: via dit eiland loopt het grootste deel van de Iraanse
olie-export naar de rest van de wereld. Tankers laden hier miljoenen vaten olie die vervolgens via de Straat van Hormuz de wereld over gaan. Wie Kharg controleert, raakt direct het
economische hart van Iran. Maar wie Kharg alleen als oliehaven ziet, mist een
groot deel van het verhaal.
Eeuwenoude tempels, kloosters en heiligdommen liggen hier op een paar
kilometer afstand van de installaties waar Irans olie de wereld in stroomt.
Het
kleine eiland (8 x 4 km) ligt voor de kust van de Iraanse provincie Bushehr.
Kharg heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de moderne
olie-industrie. In de achtste en negende eeuw stond Kharg bekend als een
centrum voor parelduikers. Handelaren uit de regio kwamen hier samen om de
kostbare parels te kopen. Het eiland was ook een oase. Waar veel eilanden in de
Golf kaal en droog zijn, heeft Kharg natuurlijke waterbronnen. Daardoor groeien
er dadelpalmen en zelfs banyanbomen. Het eiland is een groene plek in een dor
landschap van zand en zout.
Religie liet
eveneens sporen na. Archeologen vonden resten van zoroastrische tempels uit de
tijd van het oude Perzië. Ook zijn er op Kharg resten gevonden van een vroeg
christelijk, waarschijnlijk nestoriaans klooster uit de late oudheid. Later
kwamen er islamitische heiligdommen bij. Op het eiland staat ook het sjiitische
heiligdom van Mir Muhammad Hanafiyyah, die in de lokale traditie wordt
verbonden met Muhammad ibn al-Hanafiyyah, een zoon van Ali ibn Abi Talib. Het graf wordt nog steeds
veelvuldig bezocht door pelgrims.
Wie Kharg controleert, raakt niet alleen een eiland, maar een groot deel
van de Iraanse economie.
Kharg wordt
in Iran soms ook de “Forbidden Island” genoemd. Het eiland is zwaar beveiligd
en alleen toegankelijk met speciale toestemming, omdat hier het grootste deel
van de Iraanse olie-export wordt verwerkt. Jaarlijks passeert bijna een miljard
vaten ruwe olie via de terminals op het eiland. De olie komt via onderzeese
pijpleidingen uit offshore velden in de Perzische Golf. Het diepe water rond
Kharg maakt het bovendien mogelijk dat grote supertankers hier kunnen aanmeren.
De Iraanse schrijver Jalal Al-e-Ahmad noemde het eiland daarom ooit de
“verweesde parel van de Perzische Golf”.
Tegenwoordig wonen er ongeveer achtduizend mensen op
Kharg. Het eiland ligt letterlijk in de schaduw van gigantische
olie-installaties. Opslagtanks, pijpleidingen en exportterminals domineren het
landschap en maken Kharg tot het kloppende hart van de Iraanse olie-industrie.
Juist daarom is het eiland al decennia een strategisch doelwit in conflicten
rond Iran en de olie-route via de Straat van Hormuz. Tijdens de Iran-Irakoorlog in de jaren tachtig probeerde Irak
herhaaldelijk de exportterminal te bombarderen om de Iraanse economie te raken.
Nu,
tientallen jaren later, staat het eiland opnieuw in de geopolitieke
schijnwerpers. In discussies over Iran, sancties en energiepolitiek komt de
naam Kharg steeds vaker voorbij. Niet vanwege de parelduikers, de tempels of de
palmbomen, maar vanwege de olie die hier wordt geladen. Toch blijft Kharg meer
dan alleen een oliehaven. Onder de pijpleidingen en opslagtanks ligt een eiland
met een lange geschiedenis van handel, religie en dadelpalmen, dat tegenwoordig
vooral wordt gezien als een strategische olieterminal. Maar onder het staal en
beton ligt nog steeds hetzelfde kleine eiland van 8 bij 4 kilometer. En ergens
tussen de tanks en pijpleidingen groeien nog steeds de dadelpalmen van Kharg.
Stel je voor dat de doden terugkeren. Niet als geest, niet als herinnering, maar als een
antwoord in je chatvenster. Je typt: “Hoe gaat het met je?” En even later
verschijnt er een bericht dat lijkt op de stem van iemand die allang is
overleden. Dat is geen sciencefiction, het gebeurt nu al.
In
de documentaire Eternal You van Hans Block en Moritz Riesewieck wordt een
wereld zichtbaar waarin bedrijven kunstmatige intelligentie trainen met de
digitale sporen van overleden mensen: e-mails, chatberichten, foto’s, video’s
en audiomateriaal. Op basis van die gegevens ontstaat een systeem dat kan
reageren zoals die persoon dat ooit deed. De doden spreken opnieuw, maar dan in
de taal van data. Nabestaanden kunnen berichten sturen naar een chatbot die is
opgebouwd uit het digitale leven van een overleden partner, vriend of
familielid. Soms blijft het bij tekst. Soms krijgt de simulatie een gezicht via
een avatar of een deepfake-video. In sommige projecten, zoals het VR-experiment
Meeting You, kunnen mensen hun overleden dierbare zelfs ontmoeten in een
virtuele ruimte. Daar ontstaat een vreemd soort aanwezigheid: niet helemaal
herinnering, maar ook niet echt een levend persoon. Iets ertussenin.
Dat roept een fundamentele filosofische vraag op. Wat is
zo’n digitale simulatie eigenlijk? Wat is de ontologische status van een
AI-gegenereerde simulatie van een overleden mens? Het is duidelijk dat het geen
persoon is. Het systeem denkt niet echt, voelt niets en heeft geen bewustzijn.
Maar het is ook niet simpelweg een archief of een fotoalbum. Het reageert, spreekt
terug en neemt deel aan een gesprek, op een manier die verdacht veel lijkt op
die van de overledene. Daardoor ontstaat iets nieuws: een hybride entiteit die
bestaat uit technologie, data, herinnering en menselijke interpretatie. In
zekere zin lijkt het alsof de overledene voortleeft in een netwerk van
algoritmen en opgeslagen fragmenten van zijn vroegere leven.
Dat idee raakt aan een diep menselijk verlangen. Al
duizenden jaren zoeken mensen manieren om met de doden te blijven communiceren.
Religies spreken over zielen, geesten en een hiernamaals. Rituelen, gebeden en
voorouderverering houden de band met de overledenen levend. Wat AI nu doet, is
dat oude verlangen vertalen naar technologie. Socioloog Sherry Turkle zegt in
de documentaire dat deze systemen een vorm van transcendentie beloven.
Technologie biedt hier iets dat lijkt op religie: de suggestie dat iemand na de
dood toch nog aanwezig kan blijven. Een soort digitaal hiernamaals.
Tegelijkertijd roept dit ongemakkelijke vragen op. Als
een algoritme de stem van een overledene kan imiteren, waar ligt dan de grens
tussen herinnering en simulatie? Is zo’n digitale aanwezigheid een vorm van
troost, of verandert ze onze relatie met de dood? Kan iemand digitaal eeuwig
leven?
Misschien is het meest ontregelende inzicht wel dat deze
systemen niet simpelweg de doden terugbrengen. Ze creëren iets nieuws. Geen
mens, geen machine, maar een hybride verschijnsel dat alleen kan bestaan in een
wereld vol data en algoritmen. De doden keren niet terug, maar ze verdwijnen
ook niet helemaal. Ze veranderen van vorm. En misschien zegt dat ook iets over
onszelf: over onze moeite om afscheid te nemen en over de eeuwenoude menselijke
droom van een hiernamaals. Dit is pas het begin van een nieuwe relatie tussen technologie en de dood. In de komende jaren wil ik onderzoeken wat deze digitale aanwezigheid van overledenen betekent voor onze ideeën over mens-zijn, rouw en het hiernamaals.
Tijdens de
Koude Oorlog lazen stemmen op korte golf radiozenders eindeloze reeksen cijfers
voor, zonder uitleg of context. Deze zogenaamde numbers stations werden
gebruikt om gecodeerde boodschappen naar spionnen te sturen. Iedereen kon de
uitzending horen, maar alleen iemand met de juiste sleutel kon begrijpen wat er
werkelijk werd gezegd.
Nu
lijkt het alsof we weer even terug zijn in die tijd. Radio-liefhebbers hebben
de afgelopen weken mysterieuze uitzendingen opgepikt waarin een mannenstem in
het Perzisch eerst “attentie, attentie, attentie” zegt en daarna langzaam
groepen cijfers begint voor te lezen. Wie de opname hoort merkt meteen hoe
vreemd het klinkt. Het heeft iets unheimisch.
De
zender werd eind februari voor het eerst gehoord en zendt op een korte golf frequentie
rond 7910 kHz. Om 03:00 ’s nachts en 19:00
’s avonds Nederlandse tijd duiken steeds dezelfde cryptische
boodschappen op. Dat heeft wereldwijd de aandacht getrokken van radioamateurs
die proberen te achterhalen waar het signaal vandaan komt.
Opvallend genoeg denken sommige onderzoekers dat de
zender mogelijk helemaal niet uit Iran komt, maar ergens in Europa staat.
Metingen van het radiosignaal wijzen grofweg naar een gebied dat delen van
Italië, Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, België of zelfs Nederland kan
omvatten.
Wie er achter de uitzending zit, weet niemand. Er
circuleren drie belangrijke theorieën. De eerste is dat Iran zelf instructies
naar agenten in het buitenland stuurt. De tweede is dat een westerse
inlichtingendienst juist spionnen in Iran probeert te bereiken. En de derde
mogelijkheid is dat het een psychologische operatie is om verwarring te zaaien.
Ironisch genoeg laat
dit verhaal zien dat in een tijd van satellieten, cyberoorlog en kunstmatige
intelligentie een ouderwetse radiozender nog steeds een verrassend effectief
communicatiemiddel kan zijn. En ergens, misschien wel dichterbij dan we denken,
zit iemand op precies dat moment naar een radio te luisteren met een potlood in
de hand en schrijft die cijfers zorgvuldig op.