In Nederland
schuift de pensioenleeftijd steeds verder op. Officieel om de verzorgingsstaat
betaalbaar te houden, maar je kunt het ook anders bekijken: we zijn gewoon in
training voor het model-Anna. In Nebbiuno, bij het Lago Maggiore, staat Anna
Possi namelijk op haar 101e nog elke dag achter de bar van Bar Centrale. Sinds
1958 schenkt ze koffie, ruimt tafels af, opent om zeven uur ’s ochtends en
sluit pas rond zeven uur ’s avonds. Pensioenplannen heeft ze niet.
Possi
runt het café al sinds 1974 alleen, nadat haar man overleed. Ze maakt de
espresso’s zelf, houdt het café draaiende, hakt soms zelfs hout en leest
tussendoor op haar computer het nieuws en de beurskoersen. Haar geheim volgens
eigen zeggen: actief blijven, een beetje humor en ’s avonds een blikje
limonade.
Misschien
is dat precies wat tegenwoordig zo modieus ‘longevity heet. Of, nog preciezer,
wat de Japanners Ikigai noemen: een reden om ’s ochtends op te staan, iets dat je leven betekenis geeft
en waardoor je actief blijft.
In Nederland praten we vooral over wanneer we mogen
stoppen met werken. In Nebbiuno staat een vrouw van 101 gewoon koffie te
schenken, omdat ze simpelweg niet anders wil. Misschien is dat het echte geheim
van een lang leven: niet aftellen tot je pensioen, maar iets hebben waarvoor je
elke ochtend weer opstaat.
Kharg (spreek uit als ‘Gark’), een klein eiland in de Perzische Golf, staat in
het middelpunt van de wereldpolitiek. Kharg duikt steeds vaker op in discussies
in over sancties, druk op Iran en mogelijke militaire stappen. Dat
is geen toeval: via dit eiland loopt het grootste deel van de Iraanse
olie-export naar de rest van de wereld. Tankers laden hier miljoenen vaten olie die vervolgens via de Straat van Hormuz de wereld over gaan. Wie Kharg controleert, raakt direct het
economische hart van Iran. Maar wie Kharg alleen als oliehaven ziet, mist een
groot deel van het verhaal.
Eeuwenoude tempels, kloosters en heiligdommen liggen hier op een paar
kilometer afstand van de installaties waar Irans olie de wereld in stroomt.
Het
kleine eiland (8 x 4 km) ligt voor de kust van de Iraanse provincie Bushehr.
Kharg heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de moderne
olie-industrie. In de achtste en negende eeuw stond Kharg bekend als een
centrum voor parelduikers. Handelaren uit de regio kwamen hier samen om de
kostbare parels te kopen. Het eiland was ook een oase. Waar veel eilanden in de
Golf kaal en droog zijn, heeft Kharg natuurlijke waterbronnen. Daardoor groeien
er dadelpalmen en zelfs banyanbomen. Het eiland is een groene plek in een dor
landschap van zand en zout.
Religie liet
eveneens sporen na. Archeologen vonden resten van zoroastrische tempels uit de
tijd van het oude Perzië. Ook zijn er op Kharg resten gevonden van een vroeg
christelijk, waarschijnlijk nestoriaans klooster uit de late oudheid. Later
kwamen er islamitische heiligdommen bij. Op het eiland staat ook het sjiitische
heiligdom van Mir Muhammad Hanafiyyah, die in de lokale traditie wordt
verbonden met Muhammad ibn al-Hanafiyyah, een zoon van Ali ibn Abi Talib. Het graf wordt nog steeds
veelvuldig bezocht door pelgrims.
Wie Kharg controleert, raakt niet alleen een eiland, maar een groot deel
van de Iraanse economie.
Kharg wordt
in Iran soms ook de “Forbidden Island” genoemd. Het eiland is zwaar beveiligd
en alleen toegankelijk met speciale toestemming, omdat hier het grootste deel
van de Iraanse olie-export wordt verwerkt. Jaarlijks passeert bijna een miljard
vaten ruwe olie via de terminals op het eiland. De olie komt via onderzeese
pijpleidingen uit offshore velden in de Perzische Golf. Het diepe water rond
Kharg maakt het bovendien mogelijk dat grote supertankers hier kunnen aanmeren.
De Iraanse schrijver Jalal Al-e-Ahmad noemde het eiland daarom ooit de
“verweesde parel van de Perzische Golf”.
Tegenwoordig wonen er ongeveer achtduizend mensen op
Kharg. Het eiland ligt letterlijk in de schaduw van gigantische
olie-installaties. Opslagtanks, pijpleidingen en exportterminals domineren het
landschap en maken Kharg tot het kloppende hart van de Iraanse olie-industrie.
Juist daarom is het eiland al decennia een strategisch doelwit in conflicten
rond Iran en de olie-route via de Straat van Hormuz. Tijdens de Iran-Irakoorlog in de jaren tachtig probeerde Irak
herhaaldelijk de exportterminal te bombarderen om de Iraanse economie te raken.
Nu,
tientallen jaren later, staat het eiland opnieuw in de geopolitieke
schijnwerpers. In discussies over Iran, sancties en energiepolitiek komt de
naam Kharg steeds vaker voorbij. Niet vanwege de parelduikers, de tempels of de
palmbomen, maar vanwege de olie die hier wordt geladen. Toch blijft Kharg meer
dan alleen een oliehaven. Onder de pijpleidingen en opslagtanks ligt een eiland
met een lange geschiedenis van handel, religie en dadelpalmen, dat tegenwoordig
vooral wordt gezien als een strategische olieterminal. Maar onder het staal en
beton ligt nog steeds hetzelfde kleine eiland van 8 bij 4 kilometer. En ergens
tussen de tanks en pijpleidingen groeien nog steeds de dadelpalmen van Kharg.
Stel je voor dat de doden terugkeren. Niet als geest, niet als herinnering, maar als een
antwoord in je chatvenster. Je typt: “Hoe gaat het met je?” En even later
verschijnt er een bericht dat lijkt op de stem van iemand die allang is
overleden. Dat is geen sciencefiction, het gebeurt nu al.
In
de documentaire Eternal You van Hans Block en Moritz Riesewieck wordt een
wereld zichtbaar waarin bedrijven kunstmatige intelligentie trainen met de
digitale sporen van overleden mensen: e-mails, chatberichten, foto’s, video’s
en audiomateriaal. Op basis van die gegevens ontstaat een systeem dat kan
reageren zoals die persoon dat ooit deed. De doden spreken opnieuw, maar dan in
de taal van data. Nabestaanden kunnen berichten sturen naar een chatbot die is
opgebouwd uit het digitale leven van een overleden partner, vriend of
familielid. Soms blijft het bij tekst. Soms krijgt de simulatie een gezicht via
een avatar of een deepfake-video. In sommige projecten, zoals het VR-experiment
Meeting You, kunnen mensen hun overleden dierbare zelfs ontmoeten in een
virtuele ruimte. Daar ontstaat een vreemd soort aanwezigheid: niet helemaal
herinnering, maar ook niet echt een levend persoon. Iets ertussenin.
Dat roept een fundamentele filosofische vraag op. Wat is
zo’n digitale simulatie eigenlijk? Wat is de ontologische status van een
AI-gegenereerde simulatie van een overleden mens? Het is duidelijk dat het geen
persoon is. Het systeem denkt niet echt, voelt niets en heeft geen bewustzijn.
Maar het is ook niet simpelweg een archief of een fotoalbum. Het reageert, spreekt
terug en neemt deel aan een gesprek, op een manier die verdacht veel lijkt op
die van de overledene. Daardoor ontstaat iets nieuws: een hybride entiteit die
bestaat uit technologie, data, herinnering en menselijke interpretatie. In
zekere zin lijkt het alsof de overledene voortleeft in een netwerk van
algoritmen en opgeslagen fragmenten van zijn vroegere leven.
Dat idee raakt aan een diep menselijk verlangen. Al
duizenden jaren zoeken mensen manieren om met de doden te blijven communiceren.
Religies spreken over zielen, geesten en een hiernamaals. Rituelen, gebeden en
voorouderverering houden de band met de overledenen levend. Wat AI nu doet, is
dat oude verlangen vertalen naar technologie. Socioloog Sherry Turkle zegt in
de documentaire dat deze systemen een vorm van transcendentie beloven.
Technologie biedt hier iets dat lijkt op religie: de suggestie dat iemand na de
dood toch nog aanwezig kan blijven. Een soort digitaal hiernamaals.
Tegelijkertijd roept dit ongemakkelijke vragen op. Als
een algoritme de stem van een overledene kan imiteren, waar ligt dan de grens
tussen herinnering en simulatie? Is zo’n digitale aanwezigheid een vorm van
troost, of verandert ze onze relatie met de dood? Kan iemand digitaal eeuwig
leven?
Misschien is het meest ontregelende inzicht wel dat deze
systemen niet simpelweg de doden terugbrengen. Ze creëren iets nieuws. Geen
mens, geen machine, maar een hybride verschijnsel dat alleen kan bestaan in een
wereld vol data en algoritmen. De doden keren niet terug, maar ze verdwijnen
ook niet helemaal. Ze veranderen van vorm. En misschien zegt dat ook iets over
onszelf: over onze moeite om afscheid te nemen en over de eeuwenoude menselijke
droom van een hiernamaals. Dit is pas het begin van een nieuwe relatie tussen technologie en de dood. In de komende jaren wil ik onderzoeken wat deze digitale aanwezigheid van overledenen betekent voor onze ideeën over mens-zijn, rouw en het hiernamaals.
Tijdens de
Koude Oorlog lazen stemmen op korte golf radiozenders eindeloze reeksen cijfers
voor, zonder uitleg of context. Deze zogenaamde numbers stations werden
gebruikt om gecodeerde boodschappen naar spionnen te sturen. Iedereen kon de
uitzending horen, maar alleen iemand met de juiste sleutel kon begrijpen wat er
werkelijk werd gezegd.
Nu
lijkt het alsof we weer even terug zijn in die tijd. Radio-liefhebbers hebben
de afgelopen weken mysterieuze uitzendingen opgepikt waarin een mannenstem in
het Perzisch eerst “attentie, attentie, attentie” zegt en daarna langzaam
groepen cijfers begint voor te lezen. Wie de opname hoort merkt meteen hoe
vreemd het klinkt. Het heeft iets unheimisch.
De
zender werd eind februari voor het eerst gehoord en zendt op een korte golf frequentie
rond 7910 kHz. Om 03:00 ’s nachts en 19:00
’s avonds Nederlandse tijd duiken steeds dezelfde cryptische
boodschappen op. Dat heeft wereldwijd de aandacht getrokken van radioamateurs
die proberen te achterhalen waar het signaal vandaan komt.
Opvallend genoeg denken sommige onderzoekers dat de
zender mogelijk helemaal niet uit Iran komt, maar ergens in Europa staat.
Metingen van het radiosignaal wijzen grofweg naar een gebied dat delen van
Italië, Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, België of zelfs Nederland kan
omvatten.
Wie er achter de uitzending zit, weet niemand. Er
circuleren drie belangrijke theorieën. De eerste is dat Iran zelf instructies
naar agenten in het buitenland stuurt. De tweede is dat een westerse
inlichtingendienst juist spionnen in Iran probeert te bereiken. En de derde
mogelijkheid is dat het een psychologische operatie is om verwarring te zaaien.
Ironisch genoeg laat
dit verhaal zien dat in een tijd van satellieten, cyberoorlog en kunstmatige
intelligentie een ouderwetse radiozender nog steeds een verrassend effectief
communicatiemiddel kan zijn. En ergens, misschien wel dichterbij dan we denken,
zit iemand op precies dat moment naar een radio te luisteren met een potlood in
de hand en schrijft die cijfers zorgvuldig op.
Er zijn
landen waar de overheid ingewikkelde beleidsnota’s schrijft als prijzen
stijgen. En er zijn landen waar men gewoon een pasje uitdeelt. Drie keer raden
tot welke categorie Nederland behoort. In Griekenland doen ze het anders.
De
afgelopen jaren heeft Athene namelijk een opmerkelijk economisch model
ontwikkeld: de pass-economie. Het principe is simpel. Wordt iets duurder, dan
verschijnt er een nieuwe pass.
Benzine
duur? Fuel Pass.
Elektriciteit onbetaalbaar? Power Pass.
Boodschappen rijzen de pan uit? Market Pass.
En
als het leven door al die inflatie een beetje somber wordt, is er ook nog de
Tourism Pass, zodat je even op een Grieks eiland kunt bijkomen van de
economische realiteit. En dat systeem komt goed van pas in tijden waarin geopolitieke spanningen en oorlogen de olieprijs weer opdrijven en de benzineprijs ook in Nederland opnieuw het gesprek van de dag is. De passes werken meestal via een digitale kaart of een
bedrag op je bankrekening. Geen ingewikkelde fiscale constructies, geen
jarenlange hervormingen. Gewoon een bedrag dat ineens opduikt met de boodschap:
ga maar even tanken of een weekendje weg. Economen
noemen het soms een noodmaatregel. Cynici noemen het een politieke truc. Maar
burgers merken het meteen. Inflatie is ineens een stuk draaglijker wanneer er honderd
euro op je rekening verschijnt.
Het ironische is dat Griekenland dit systeem heeft
ontwikkeld terwijl het land jarenlang juist het toonbeeld was van Europese
schuldenproblematiek. Tijdens de eurocrisis gold Griekenland als het waarschuwende
voorbeeld van ontspoorde staatsfinanciën en zware bezuinigingen. Vanuit Brussel
en de Europese instellingen kreeg Athene daarna juist extreem strenge
begrotingsregels opgelegd. Structurele uitgaven verhogen is daardoor lastig.
Tijdelijke passen zijn dan ideaal: ze verzachten de pijn even, zonder dat de overheid
de begroting permanent hoeft te veranderen.
Nederland
heeft daarentegen een andere traditie. Hier lossen we problemen op met beleid.
Veel beleid. Als energie duur wordt, schrijven we bijvoorbeeld een Klimaatakkoord.
Vervolgens komen er maatregelen, subsidies, belastingen, transitieplannen en
routekaarten richting 2050. Dat is allemaal heel verstandig en vooruitziend.
Alleen heeft het één klein nadeel: ondertussen moet iemand de energierekening
wel betalen. Neem de energietransitie onder leiding van Rob Jetten. Het idee is
helder: energie moet duurder worden zodat we sneller overstappen op duurzame
alternatieven. Dat heet een prijsprikkel. Economen vinden dat prachtig. Burgers
merken vooral de prijs. In de Griekse pass-economie zou dat ongeveer zo gaan:
energie duur? Dan komt er een Energy Pass. In Nederland verschijnt er eerder
een Kamerbrief.
Het contrast wordt nog interessanter wanneer je naar
defensie kijkt. Nederland verhoogt nu zijn militaire uitgaven richting de
NAVO-norm van 2 procent van het bbp. Dat kost miljarden. Politiek is daar vrij
brede steun voor. Maar voor burgers betekent het ook dat er ergens in de
begroting ruimte moet worden gevonden. Griekenland geeft overigens al jaren
meer dan 2 procent van zijn bbp uit aan defensie, vooral vanwege de spanningen
met Turkije. En toch lukt het Athene ondertussen om benzine-passen,
stroom-passen en boodschappen-passen uit te delen.
Dat is misschien wel het geheim van de pass-economie. Ze
lost niet alles op, maar ze heeft één groot voordeel: het voelt concreet. Een
pass is geen strategie, geen visie en geen transitiepad. Het is gewoon een
digitale kaart waarop ineens geld staat. En dat maakt het voor burgers vaak een
stuk begrijpelijker dan beleid. Want uiteindelijk blijft er voor burgers maar
één simpele economische vraag over: krijg je een pass of krijg je een
prijsprikkel?
Terwijl toeristen nog steeds champagne drinken in een gekoelde hotellounge in Dubai, vertrekken ergens in China twee vrachtschepen met mogelijk een lading natriumperchloraat richting Iran. De moderne wereld in één beeld: luxe resorts, geopolitiek en raketten.
Het klinkt als een scène uit een geopolitieke thriller, maar het is gewoon het nieuws van deze week. Volgens analyses van scheepsdata zijn twee Iraanse schepen vertrokken uit een Chinese haven waar onder andere natriumperchloraat wordt opgeslagen. Dat is geen onschuldige chemicalie. Het is een belangrijke grondstof voor raketbrandstof. In raketten werkt zo’n stof als oxidator: het zorgt ervoor dat de brandstof razendsnel kan verbranden en enorme stuwkracht produceert.
Het bijzondere is de timing. Terwijl in delen van het Midden-Oosten luchtruimen sluiten, evacuaties plaatsvinden en spanningen oplopen, vertrekken tegelijk twee Iraanse schepen uit een Chinese chemische haven. Beide schepen horen bij een staatsrederij die al jaren onder Amerikaanse, Europese en Britse sancties staat vanwege het Iraanse raketprogramma. Ondertussen gaat het gewone leven in plaatsen als Dubai gewoon door. Restaurants zitten vol, hotels draaien op volle bezetting en zwembaden liggen er rustig bij in de zon. De wereld van vakanties en cocktails aan het zwembad en de wereld van raketbrandstof blijken dicht bij elkaar te liggen. Twee realiteiten.
Misschien is dat wel het meest typerende beeld van onze tijd: terwijl ergens containers met raketgrondstoffen worden ingeladen, vraagt iemand op een paar duizend kilometer afstand aan de hotelbar of de champagne nog een beetje koud is. En ergens daar tussenin laat Iran zien dat internationale boycots en sancties hun raketprogramma blijkbaar nog altijd niet echt tot stilstand brengen. Het doet bijna denken aan dat oude liedje van Herman Brood en Henny Vrienten: als je wint, heb je vrienden.
Priesters mogen geen kunstmatige intelligentie gebruiken om hun preken te schrijven. Dat zei paus Leo XIV onlangs tegen een groep geestelijken in Rome. Volgens hem moet een preek voortkomen uit persoonlijk geloof. “Een echte homilie delen, betekent je geloof delen,” zei hij. En dat kan AI volgens hem niet.
Op het eerste gezicht klinkt dat logisch. Een algoritme kan veel, maar geloven hoort daar niet bij. Een chatbot kan teksten genereren over genade, zonde of verlossing, maar zelf een geloofsbeleving hebben is iets anders. Toch zit er iets grappigs in deze waarschuwing. Want stel je even de situatie voor. Een priester die op zaterdagavond denkt: morgen is het zondag, ik moet nog een preek. Hij opent zijn laptop en typt: “Schrijf een inspirerende homilie over barmhartigheid, 800 woorden, graag met een vleugje Augustinus.” Tien seconden later: klaar.
Het Vaticaan lijkt te vrezen dat dit de nieuwe realiteit wordt. De paus sprak zelfs van een “verleiding” die priesters moeten weerstaan. De hersenen moeten gebruikt worden, zei hij, anders verslappen ze, net als spieren die je niet traint.
Er zit natuurlijk wel een serieus punt achter deze waarschuwing. Volgens Leo XIV gaat het bij kunstmatige intelligentie uiteindelijk niet alleen om technologie, maar om iets veel fundamentelers: de manier waarop digitale systemen menselijke communicatie, creativiteit en zelfs identiteit veranderen. Als we niet goed nadenken over hoe we deze technologie gebruiken, waarschuwt hij, kan ze zelfs de pijlers van onze beschaving aantasten. Juist daarom, zo suggereert de paus, moet de preekstoel een plek blijven waar het woord nog uit een mens komt; uit geloof, ervaring en ontmoeting, niet uit een algoritme.
Terwijl de paus priesters oproept hun preken niet door kunstmatige intelligentie te laten schrijven, gebruiken ondertussen miljoenen mensen diezelfde technologie om hun e-mails, toespraken en teksten te formuleren. Precies op het moment dat AI overal in het dagelijks spreken binnendringt, wordt de preekstoel één van de laatste plekken waar het woord nog nadrukkelijk menselijk moet blijven.
Misschien moeten we het zo zien: AI kan best een preek schrijven. Maar geloven moet je nog steeds zelf doen. En daar heeft zelfs ChatGPT geen prompt voor.