Ammouliani,
het kleine eiland tegenover Ouranoupolis aan de rand van Athos (Chalkidiki),
maakte op mij geen mooie indruk. Het was kaal, rommelig, onaf. Zelfs de weg
ernaartoe bevestigde dat gevoel. De boot die je naar het eiland brengt, is
eenvoudig, zo’n boot waarbij je het gevoel krijgt dat je zelf matroos
bent. Vanaf Tripiti, een kale aanlegplek waar niets is behalve asfalt en een
gammele taverna, vaar je in ongeveer tien minuten naar de overkant. Geen
havenstad, geen dorp, geen welkom. Je staat daar te wachten in de hitte, tussen
beton en leegte, alsof je per ongeluk op de verkeerde plek bent beland. Dat
gevoel verdween niet bij aankomst.
Eeuwenlang
was Ammouliani bezit van het klooster
Vatopedi. Het eiland diende als landbouwgebied. In 1925 veranderde dat abrupt. Het eiland werd
afgestaan aan de Griekse staat en toegewezen aan orthodoxe vluchtelingen uit
Klein-Azië (Turkije). Mensen die alles waren kwijtgeraakt, moesten
hier opnieuw beginnen, op een plek zonder voorzieningen. Die geschiedenis van
ontworteling en improvisatie is nooit echt verdwenen; ze zit nog altijd in de
structuur van het eiland. Vandaag wonen er ongeveer vijfhonderd tot zeshonderd
mensen permanent op Ammouliani. In de zomer groeit dat aantal door toeristen en
dagjesmensen.

Wat me al snel bevreemdde, was een ervaring in de plaatselijke kerk.
In Griekenland ben ik gewend dat je een kerkdienst altijd kunt binnenlopen. Je
komt wanneer je wilt, steekt een kaarsje aan, schuift ergens aan. Je bent
welkom. Op Ammouliani gebeurde het tegenovergestelde. We liepen een kerk binnen
terwijl er een dienst gaande was en alle hoofden draaiden tegelijk onze kant
op. De blikken waren vijandig, gesloten. Het was druk en de deuropening werd
letterlijk geblokkeerd door mensen die geen centimeter opzij gingen. We stonden
daar, zichtbaar ongewenst. Het voelde als een vijandige, gesloten gemeenschap,
iets wat ik nooit eerder heb meegemaakt in Griekenland.
Wat zich in de kerk aftekende, bleek geen losstaand
moment. In Griekenland zijn overal zwerfkatten.
Meestal hebben ze het niet heel goed, maar ook niet uitzichtloos. Wat ik op
Ammouliani zag, was echter geen idyllische kattenkolonie en ook geen tijdelijk
probleem. Het was een kattenhel. Ziekte, honger en misvormingen waren geen
uitzonderingen, maar onderdeel van het straatbeeld. Katten met ontstoken ogen,
vergroeide lichamen, dieren die nauwelijks konden lopen of eten. Het was
schokkend. Ik probeerde een van hen een kattensnoepje te geven.
Het dier stikte bijna. Niet uit gulzigheid, maar omdat het nauwelijks nog een
slokdarm leek te hebben. Dat moment staat in mijn geheugen gegrift. Dit was
systemisch lijden. Het deed me vermoeden dat er meer speelde dan alleen
verwaarlozing. Op eilanden wordt vaak rattengif gebruikt tegen ongedierte en
katten worden daar onbedoeld (of bedoeld?) slachtoffer van. Dat zou kunnen verklaren
waarom de katten er op Ammouliani zo gruwelijk aan toe waren.

Tegen die achtergrond kreeg ook die kerkervaring
betekenis. De gesloten houding, het blokkeren van de deur, het niet-wijken voor
iemand die binnen wil komen. Ik begon me af te vragen of het hier niet alleen
ging om katten, maar om een bredere houding tegenover wat lastig is, wat zorg
vraagt, wat niet in het gewenste beeld past. Wie te veel is. Wie niet welkom
is. Ik heb daar geen sluitend antwoord op.Juist daarom viel één plek mij in het bijzonder op.
Direct naast de aanlegplaats van de veerboot, bij het eerste restaurant aan de
kade, liepen twee katten rond. Gezond, rustig, goed verzorgd. Ze hoorden bij
het terras, bij de (vriendelijke) mensen. Het contrast met de rest van het eiland had niet groter kunnen zijn.
Ammouliani is voor mij geen vakantie-eiland geworden en
ook geen plek waar ik graag naar terug zou gaan. Het is een plek waar lagen
over elkaar heen liggen: een monastiek verleden, een vluchtelingenverleden, een
kleine vaste (vijandige) gemeenschap, seizoensgebonden toerisme en een schrijnend kattenprobleem. De katten zijn daarin geen detail, maar
een symptoom.
Wat Ammouliani nodig heeft, is een stukje medemenselijkheid
en vooral dierenartsen. Daar hoort ook iets fundamentelers bij: stoppen met het
gebruik van rattengif of andere middelen die katten langzaam en onzichtbaar
vergiftigen en het besef dat deze katten geen overlast vormen, maar levende
wezens zijn die lijden. Zolang vergiftiging wordt getolereerd en weggekeken van
de zielige hoopjes ellende die je in elke straat tegenkomt, blijven
misvormingen en sterfte onderdeel van het straatbeeld.
Op het dorpsplein staat in grote letters “I am Ammouliani”, bedoeld om je even onderdeel te laten voelen van deze plek. Maar na wat ik hier heb gezien, kan ik dat niet zeggen. Ik bén Ammouliani niet en wil het ook niet zijn.
Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.