zondag, mei 03, 2026

Ria Formosa: Europees betaald, lokaal vervuild

Het natuurgebied Ria Formosa strekt zich uit over zo’n 60 kilometer langs de Algarve in Portugal, van Ancão tot Manta Rota. Geen aaneengesloten kustlijn, maar een landschap van eilanden, zandbanken en lagunes die voortdurend in beweging zijn. Het is een wetland. Een gebied waar land en water in elkaar overlopen, waar zout en zoet elkaar ontmoeten en waar ecosystemen normaal gesproken juist rijker worden. Dit soort gebieden werken als natuurlijke filters, broedplaatsen voor vissen en als rustplek voor trekvogels. Ze horen vol leven te zijn.

Juist omdat wetlands zo kwetsbaar zijn, vallen ze vaak onder zware bescherming. Dat geldt hier ook. Ria Formosa is onderdeel van Natura 2000 en erkend als Ramsar-wetland. Het maakt deel uit van Europese beschermingsprogramma’s waarvoor veel subsidie beschikbaar is, zoals LIFE-projecten en nationale natuurfondsen. Er gaat hier geld naartoe om biodiversiteit te beschermen, ecosystemen te herstellen en duurzaamheid zichtbaar te maken voor bezoekers. Dit lijkt een voorbeeldproject.

En dat zie je ook meteen als je aankomt met de boot op Ilha de Tavira. Overal aanwijzingen en afvalscheiding tot in detail. Om de 5 meter 6 bakken voor afvalscheiding. Borden die uitleggen wat waar moet. Een metalen vis die plastic opvangt. “Protect our planet.” Het is georganiseerd en gecontroleerd.

Dit zou een hotspot moeten zijn voor trekvogels, voor soorten die je elders nauwelijks ziet. De bijeneter bijvoorbeeld. Een van de opvallendste vogels van Europa, felgekleurd, bijna tropisch. In veel beschrijvingen wordt hij genoemd als typische soort voor dit gebied, maar wij zagen hem niet. Sterker nog, we zagen überhaupt nauwelijks vogels. Je vraagt je af waarom er zoveel vogelreizen naar dit gebied georganiseerd worden en er overal vogelaars met verrekijkers rondlopen.

En dan loop je door. Aan de achterkant van het eiland ligt geen voorbeeldproject meer, maar een vuilstort van hout, deuren, pallets en oude apparaten. Koelkasten die staan te lekken in de zon, jerrycans, hopen afval die te groot zijn om nog tijdelijk te zijn. Alles wat aan de voorkant zorgvuldig wordt gescheiden, wordt hier gewoon in de duinen gedumpt. Tijdens je wandeling word je bijna omver gereden door tractoren die dat afval direct naar de beschermde duingebieden brengen. Aan de zijkant van het eiland zie je dat overig afval allemaal bij elkaar in containers wordt gegooid en per boot naar een andere plek wordt gebracht.

Een stukje verder zie je bomen waarvan de wortels bloot liggen. Geen stormschade, maar langzaam verlies. Zand dat verdwenen is, een eiland dat stukje bij beetje afkalft. Dit is kusterosie, maar niet in de rustige, natuurlijke vorm die bij een wetland hoort. Dit gebied is beschermd en wordt actief gepresenteerd als beschermd. Met beleid, geld en zichtbare maatregelen. Maar bescherming aan de voorkant is blijkbaar iets anders dan bescherming in de praktijk.

Afval wordt keurig gescheiden, om daarna ergens verderop weer gezellig bij elkaar te eindigen, toeristen worden strak gestuurd, maar blijven in steeds grotere aantallen komen. En de vogels waarvoor iedereen hierheen reist, lijken zich steeds minder te laten zien. Wat de ironie compleet maakt: hoe beter een gebied wordt beschermd en gepromoot, hoe groter de druk erop wordt, met meer afval, meer verstoring en minder ruimte als logisch gevolg. Dan dringt de vraag zich op wat er eigenlijk gebeurt met al dat Europese geld, want het lijkt alsof een deel ervan vooral is geïnvesteerd in mooie borden, keurige afvalbakken en een overtuigend decor waarin alles klopt. Totdat je een paar meter doorloopt, dan begrijp je dat zelfs een bijeneter het blijkbaar een goed idee vond om zijn koffers te pakken.