woensdag, mei 06, 2026

Hantavirus bereikt Sint-Helena via MV Hondius, maar Jonathan (194) maakt zich geen zorgen

Op Sint-Helena, waar nog geen 4.500 mensen wonen, is het ineens onrustig. Niet zichtbaar op elke straathoek, maar wel in gesprekken, berichten en officiële waarschuwingen. De passagiers van de MV Hondius zijn van 22 april tot en met 24 april aan land geweest. Dat is genoeg om de aandacht van St Helena Government volledig te richten op het voorkomen dat de Andesvariant van het hantavirus zich op het eiland verspreidt. Mensen die contact hebben gehad met passagiers worden gemonitord. Er is een oproep gedaan om alert te zijn op klachten. En de komende weken staan in het teken van opletten, afwachten en controleren. Op een eiland waar iedereen elkaar kent, voelt dat meteen dichtbij. Juist omdat het zo klein is, kan één contactmoment veel betekenen.

Dat kleine, afgelegen eiland in de Zuid- Atlantische Oceaan speelde al eerder een rol in de wereldgeschiedenis. Hier werd Napoleon Bonaparte na zijn nederlaag bij Waterloo naartoe verbannen. Hij bracht zijn laatste jaren door in Longwood House en overleed hier in 1821. Sindsdien is Sint-Helena een plek waar de grote wereldgeschiedenis even stil leek te staan, ver weg van oorlogen en machtsverschuivingen.

Misschien geen wereldnieuws, maar zeker niet onbelangrijk: Sint-Helena heeft een inwoner van 
194 jaar oud. De Reuzenschildpad Jonathan werd rond 1832 geboren. Toen Napoleon nog maar net overleden was en de wereld nog grotendeels per paard en schip bewoog. Hij kwam op Sint-Helena terecht toen het Britse rijk nog op zijn hoogtepunt was. Sindsdien heeft hij alles langs zien komen, zonder ooit echt “mee te doen”. Hij leeft in alle rust in de tuin van Plantation House

Hij heeft de opkomst van de trein gemist, maar ook de eerste auto’s. De uitvinding van elektriciteit, de telefoon, radio, televisie, het ging allemaal aan hem voorbij, terwijl hij rustig doorging met eten, slapen en een beetje rondlopen. Twee wereldoorlogen. Miljoenen doden. Grenzen die verschoven. Hij bleef zitten waar hij zat. De Spaanse griep, die wereldwijd tientallen miljoenen slachtoffers maakte. Geen effect op Jonathan. Hij at gewoon zijn bladeren. De landing op de maan. Mensen die voor het eerst de aarde verlieten. Jonathan keek waarschijnlijk niet eens op. 

Het internet, smartphones, kunstmatige intelligentie. Een wereld waarin mensen steeds sneller leven en steeds meer tegelijk doen. Jonathan? Die doet nog steeds ongeveer hetzelfde als 190 jaar geleden. En toen kwam COVID-19. De wereld ging op slot. Mensen bleven binnen, steden werden stil. En ergens op Sint-Helena liep Jonathan gewoon zijn rondje. "Het zal mijn tijd wel duren." 

En nu is er weer zo’n moment. Een virus bereikt het eiland. Zorgen, monitoring en waarschuwingen, maar niet voor Jonathan. Jonathan zit in zijn tuin. Afgeschermd, verzorgd, onaangedaan. Waar mensen elkaar in de gaten moeten houden, symptomen moeten herkennen en risico’s moeten inschatten, blijft zijn wereld klein en overzichtelijk. De wereld verandert voordurend, maar voor Jonathan is het gewoon weer een gebeurtenis die voorbijgaat. Heerlijk toch? 

zondag, mei 03, 2026

Ria Formosa: Europees betaald, lokaal vervuild

Het natuurgebied Ria Formosa strekt zich uit over zo’n 60 kilometer langs de Algarve in Portugal, van Ancão tot Manta Rota. Geen aaneengesloten kustlijn, maar een landschap van eilanden, zandbanken en lagunes die voortdurend in beweging zijn. Het is een wetland. Een gebied waar land en water in elkaar overlopen, waar zout en zoet elkaar ontmoeten en waar ecosystemen normaal gesproken juist rijker worden. Dit soort gebieden werken als natuurlijke filters, broedplaatsen voor vissen en als rustplek voor trekvogels. Ze horen vol leven te zijn.

Juist omdat wetlands zo kwetsbaar zijn, vallen ze vaak onder zware bescherming. Dat geldt hier ook. Ria Formosa is onderdeel van Natura 2000 en erkend als Ramsar-wetland. Het maakt deel uit van Europese beschermingsprogramma’s waarvoor veel subsidie beschikbaar is, zoals LIFE-projecten en nationale natuurfondsen. Er gaat hier geld naartoe om biodiversiteit te beschermen, ecosystemen te herstellen en duurzaamheid zichtbaar te maken voor bezoekers. Dit lijkt een voorbeeldproject.

En dat zie je ook meteen als je aankomt met de boot op Ilha de Tavira. Overal aanwijzingen en afvalscheiding tot in detail. Om de 5 meter 6 bakken voor afvalscheiding. Borden die uitleggen wat waar moet. Een metalen vis die plastic opvangt. “Protect our planet.” Het is georganiseerd en gecontroleerd.

Dit zou een hotspot moeten zijn voor trekvogels, voor soorten die je elders nauwelijks ziet. De bijeneter bijvoorbeeld. Een van de opvallendste vogels van Europa, felgekleurd, bijna tropisch. In veel beschrijvingen wordt hij genoemd als typische soort voor dit gebied, maar wij zagen hem niet. Sterker nog, we zagen überhaupt nauwelijks vogels. Je vraagt je af waarom er zoveel vogelreizen naar dit gebied georganiseerd worden en er overal vogelaars met verrekijkers rondlopen.

En dan loop je door. Aan de achterkant van het eiland ligt geen voorbeeldproject meer, maar een vuilstort van hout, deuren, pallets en oude apparaten. Koelkasten die staan te lekken in de zon, jerrycans, hopen afval die te groot zijn om nog tijdelijk te zijn. Alles wat aan de voorkant zorgvuldig wordt gescheiden, wordt hier gewoon in de duinen gedumpt. Tijdens je wandeling word je bijna omver gereden door tractoren die dat afval direct naar de beschermde duingebieden brengen. Aan de zijkant van het eiland zie je dat overig afval allemaal bij elkaar in containers wordt gegooid en per boot naar een andere plek wordt gebracht.

Een stukje verder zie je bomen waarvan de wortels bloot liggen. Geen stormschade, maar langzaam verlies. Zand dat verdwenen is, een eiland dat stukje bij beetje afkalft. Dit is kusterosie, maar niet in de rustige, natuurlijke vorm die bij een wetland hoort. Dit gebied is beschermd en wordt actief gepresenteerd als beschermd. Met beleid, geld en zichtbare maatregelen. Maar bescherming aan de voorkant is blijkbaar iets anders dan bescherming in de praktijk.

Afval wordt keurig gescheiden, om daarna ergens verderop weer gezellig bij elkaar te eindigen, toeristen worden strak gestuurd, maar blijven in steeds grotere aantallen komen. En de vogels waarvoor iedereen hierheen reist, lijken zich steeds minder te laten zien. Wat de ironie compleet maakt: hoe beter een gebied wordt beschermd en gepromoot, hoe groter de druk erop wordt, met meer afval, meer verstoring en minder ruimte als logisch gevolg. Dan dringt de vraag zich op wat er eigenlijk gebeurt met al dat Europese geld, want het lijkt alsof een deel ervan vooral is geïnvesteerd in mooie borden, keurige afvalbakken en een overtuigend decor waarin alles klopt. Totdat je een paar meter doorloopt, dan begrijp je dat zelfs een bijeneter het blijkbaar een goed idee vond om zijn koffers te pakken.


zaterdag, april 25, 2026

Vila Galé Albacora (Arraial Ferreira Neto): verborgen parel bij Tavira, Algarve Portugal

Ik had eerlijk gezegd altijd het beeld dat de Algarve in Portugal synoniem stond voor beton, hoogbouw en massatoerisme, een plek waar ik nog niet dood gevonden wilde worden. De westkant van de regio deed ook weinig om dat vooroordeel weg te nemen. Maar in het oosten ontdekte ik, bijna per ongeluk, een zeldzame parel zo dicht bij huis. Dit stukje Algarve in Portugal voelt totaal anders dan het beeld dat ik had. Het is een plek die zich niet aan je opdringt, maar zich langzaam prijsgeeft en juist daardoor iets in je losmaakt. In dit oude tonijnvissersdorp is de tijd niet verdwenen, maar als een zachte deken over het verleden heen gaan liggen. Je voelt dat bij Hotel VilaGalé Albacora. Eigenlijk moet ik zeggen Arraial Ferreira Neto, zoals het dorp oorspronkelijk heette.

Dit was nooit zomaar een dorp. Het werd in 1943 in één keer gebouwd, speciaal voor de tonijnvisserij. Geen plek die langzaam groeide, maar een gemeenschap die doelgericht werd neergezet rond één ding: tonijnvissen. Er waren woningen voor vissers en hun gezinnen, een school, een kapel, opslagruimtes en werkplaatsen. Alles stond in het teken van de Armação, de traditionele manier van tonijn vangen met vaste netten. In het seizoen kwam het dorp tot leven, daarna viel het weer stil. Een ritme dat bepaald werd door de zee.

Totdat dat ritme stopte. In de jaren 60 begon de neergang en in 1972 werd het dorp definitief verlaten. En dat is misschien wel het meest voelbare hier: dat dit geen plek is die langzaam leegliep, maar een plek die zijn reden van bestaan verloor. De huizen bleven staan, maar zonder stemmen. De straten zonder voetstappen. Jarenlang was dit een verlaten dorp, een plek waar alleen de wind en het zout nog hun werk deden. Je kunt je bijna voorstellen dat het hier ’s avonds niet alleen stil was, maar ook geladen. Niet eng, maar vol herinnering. 

Pas in 1999 kwam er weer leven in deze plaats, toen het werd gerestaureerd en heropend als Hotel Vila Galé Albacora. Maar ze hebben hier iets zeldzaams gedaan: ze hebben het dorp niet veranderd in een decor, maar het gelaten zoals het was. De structuur bleef, de gebouwen bleven, en daarmee ook het gevoel dat je hier niet in een hotel bent, maar op een plek met een verleden dat nog niet verdwenen is. En dat voel je. De lage huisjes, de smalle straatjes met kinderkopjes, de muren in zachte okertinten, alles ademt een leven dat hier ooit echt was. Als je er doorheen loopt, voelt het niet alsof je ergens logeert, maar alsof je ergens te gast bent, waar de tijd een beetje stil is blijven staan.

In het kleine museum komen die mensen van weleer ineens dichtbij. Mannen die met enorme tonijnen poseren, gezinnen die hier woonden, werkten, leefden. Dan kijk je naar je eigen kamer, die eerlijk gezegd vrij klein is, en dan vraag je je af: hoe leefden zij hier met een heel gezin? Hoe klonk dat, hoe rook dat, hoeveel ruimte had je om even alleen te zijn? Waar sliep het hele gezin? Het maakt iets los. Het haalt het hotel als decor weg en laat het menselijke weer zichtbaar worden.

Er is hier een rust die moeilijk uit te leggen is. Geen opgelegde stilte, maar een soort vanzelfsprekende kalmte. Alsof de plek zelf geen haast kent. Overdag is het al voelbaar, maar ’s avonds wordt het bijna tastbaar. Dan valt er iets over het terrein heen wat je alleen maar kunt ervaren. Geen lawaai, geen drukte, alleen vogelgekwetter en, minder romantisch, het gezoem van muggen. En toch dat stille besef dat alles klopt, alsof het leven hier even precies is zoals het bedoeld is. Dan zit je daar, in je kleine tuintje bij je kamer. Je eigen stukje, omsloten door groen, met uitzicht op die eenvoudige huizen die ooit vol leven zaten. En gek genoeg voelt het niet als een hotelkamer, maar als iets dat dichter bij thuis ligt. Alsof je er even bij hoort.

Wat het misschien nog bijzonderder maakt, is dat het oude leven hier niet alleen zichtbaar is, maar nog steeds een plek heeft. De school, de kerk en het museum zijn geen decorstukken, maar ankers van wat hier was. Je loopt een kapel binnen en het licht valt door een gekleurd raam precies op het altaar en je beseft dat dit ooit het centrum van een gemeenschap was.

En dan is er kat Shiva. Ze gedraagt zich alsof ze de leiding heeft over het hotel en misschien is dat ook wel zo. Ze verwelkomt de gasten, loopt met je mee om de weg naar het ontbijt te wijzen. Ze weet precies waar je moet zijn. En tussendoor ligt ze op een bank in de lobby te slapen, alsof alles onder controle is.

En alsof dat nog niet genoeg is, ligt deze plek ook nog eens midden in het natuurgebied Ria Formosa, een eindje buiten Tavira. Dat contrast is misschien wel het mooiste van alles. Overdag of ’s avonds in Tavira, overigens een prachtige stad, maar daarover later meer, en dan terug. Met een Uber die eerst nog door de drukte van de stad rijdt en dan ineens de weg opgaat door het natuurgebied. Donkerder, stiller, opener. En dan kom je hier weer aan en stap je opnieuw die andere wereld binnen. Alsof je niet alleen een afstand hebt afgelegd, maar ook een laag van de werkelijkheid achter je laat.

Misschien is dat wel de kern van deze plek. Dat niets hier hard roept om aandacht, maar alles wel iets zegt. In de geschiedenis die nog in de muren zit, in de stilte van de avond, in de foto’s van de vissers, in de kleine kamers die je dwingen na te denken over hoe anders het leven kan zijn.

Ik had dit nooit verwacht van de Algarve. Maar misschien zit het geheim juist daarin. Dat je soms, op een plek die je al denkt te kennen, ineens een wereld binnenstapt die daar al die tijd gewoon was. Verlaten, bewaard en uiteindelijk opnieuw tot leven gekomen, zonder zijn ziel te verliezen.


dinsdag, maart 24, 2026

Welkom aan boord van de vaagtaalmaatschappij, waar iedereen incheckt en niemand nog iets te zeggen heeft

Er is iets vreemds aan de hand met taal en niemand lijkt het door te hebben. Opeens “checken” we niet meer gewoon hoe het met iemand gaat, nee, we “checken even in bij elkaar”. Alsof elk gesprek een soort vlucht is en we allemaal met handbagage door het leven lopen. “Hoe gaat het met je?” - “Moment, ik moet eerst even inchecken.”

Het klinkt modern, professioneel, een tikje therapeutisch misschien zelfs, maar eigenlijk is het gewoon opgeblazen lucht. Want wat bedoel je nu echt? Dat je even belt? Even vraagt hoe het gaat? Waarom moet daar ineens een Engelse luchthavenmetafoor overheen gegoten worden?

Het grappige is: in België zeggen ze dat je “vliegt” als je niet helemaal spoort. En bij ons: “die ziet ze vliegen.” Dat komt verdacht dicht in de buurt. Want als iedereen voortdurend aan het “inchecken” is, dan zijn we collectief blijkbaar al opgestegen. Bestemming: vaagtaal.

Er zit ook iets ontwijkends in. “Inchecken” klinkt veiliger dan gewoon zeggen: “Hoe gaat het echt met je?” Het haalt de scherpte eruit, maakt het afstandelijker. Alsof je niet meer echt contact maakt, maar een soort procedure doorloopt. Gesprek als ritueel, niet als ontmoeting.

Misschien moeten we het gewoon weer simpel maken. Niet inchecken, maar praten of nog beter: luisteren. Als iemand zegt: “Zullen we even inchecken?”, dan weet ik één ding zeker: dit gesprek is al geland voordat het begonnen is.

vrijdag, maart 20, 2026

Floriade 2.0: duur, groen op papier en de motor draait gewoon door

Soms heb je van die momenten waarop alles samenkomt: duurzaamheid, beleid, goede bedoelingen en een graafmachine die anderhalf uur staat te ronken alsof we nog in een tijd leven waarin brandstof spotgoedkoop was. Bij ons in de buurt zijn ze tot eind december bezig met het riool. Op zich prima, want niemand wil terug naar de middeleeuwen, maar wat zich hier gisteren afspeelde was toch wel bijzonder.

Daar stonden ze: twee mannen, een container, een busje en een hijskraan die niets deed behalve draaien. Anderhalf uur lang. Niemand wist waarop er gewacht werd, maar de motor bleef vrolijk lopen. En dat in een tijd waarin diesel zo’n beetje vloeibaar goud is geworden. Want laten we eerlijk zijn: door de oorlogen en spanningen in het Midden-Oosten en de dreiging rond de Straat van Hormuz schieten de prijzen omhoog. Je zit inmiddels rond de €2,568 per liter diesel. Zo’n kraan verbruikt gemiddeld zo’n 15 liter per uur. Dus reken even mee: €38,52 per uur aan brandstof. Anderhalf uur wachten? Dan kost dat gewoon €57,78. Voor helemaal niets.

Het wordt nog mooier, want na anderhalf uur wachten, gebeurde er niets. Geen levering, geen collega, geen actie. Ze stapten gewoon weer in en reden weg. Graafmachine/ hijskraan mee, einde voorstelling. Met andere woorden: anderhalf uur diesel verstookt, uitstoot geproduceerd, kosten gemaakt en nul resultaat. Zelfs Kafka zou hier stil van worden.

En dat allemaal in Almere, een stad die zichzelf graag neerzet als groen en duurzaam. Prachtige ambitie, maar op mijn terras rook het gisteren vooral naar uitlaatgassen en gemiste kansen. Dat groene ideaal doet denken aan de Floriade: groot, ambitieus en duurzaam op papier, maar uiteindelijk een dure mislukking. Duurzaamheid zit hem niet alleen in grote plannen en mooie woorden, maar juist in dit soort simpele momenten. Zoals: zet die motor uit als je niets doet. Of nog beter: zorg dat je überhaupt weet waarvoor je komt.

Het zal wel een extern bedrijf zijn. Die rekenen alles door. En uiteindelijk betalen wij dat gewoon via de gemeente. Dus wij betalen voor de diesel, wij betalen voor de stilstand en wij zitten ook nog eens in de giftige dampen. Dat is pas een all-inclusive ervaring. Het meest bizarre blijft dat ze het heel normaal leken te vinden. Terwijl als jij in deze tijd je auto anderhalf uur voor de deur laat draaien zonder ergens heen te gaan, je jezelf toch echt even achter de oren zou krabben als je de benzineprijs ziet.

Als je nu kijkt hoe het erbij ligt, een rioolpijp die als een soort vreemd monument omhoogsteekt, met een klep ervoor alsof hij iets belangrijks tegenhoudt, dan vraag je je toch af wat hier precies de bedoeling is. Een soort lokale Straat van Hormuz, waar van alles stilvalt, kosten oplopen en iedereen wacht, maar niemand die echt lijkt te weten waar het heen gaat. 

UPDATE 27-03-2027 En toen gebeurde er iets spectaculairs. Na dagen van wachten, kijken en diesel verstoken is er eindelijk beweging in het project gekomen: er zijn buizen gearriveerd. Niet zomaar buizen, maar een indrukwekkende stapel roestbruine exemplaren. Er kwam een vrachtwagen met een kunstwerk van gestapelde buizen, waarna een grijparm ze een voor een begon te verplaatsen. De roestkleur geeft het ook nog een nostalgisch tintje, alsof we hier niet een modern riool aanleggen, maar een archeologische opgraving doen naar de gloriedagen van de Nederlandse infrastructuur. Kortom: er gebeurt iets. 

dinsdag, maart 17, 2026

De dag dat ik officieel “Mevrouw Wil Ik Niet” werd

 

Vandaag lag er een keurige envelop op de mat van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Altijd leuk, want dat betekent meestal dat je weer mag bijdragen aan “belangrijke cijfers voor Nederland”.

Ik maak hem open, kijk op de adressering en daar staat het: Mevrouw E. WIL IK NIET. Dat is dus precies wie ik ben. Niet Erika, maar een levenshouding in hoofdletters. Mevrouw Wil ik niet. Alsof het CBS eindelijk doorheeft hoe Nederlanders echt in het leven staan als er weer een enquête binnenkomt.

“Wilt u even 25 vragen beantwoorden over uw mediagebruik?”
Ik: wil ik niet.
“Wilt u meewerken aan onderzoek naar uw huishouden?”
Ik: wil ik niet.
“Wilt u…”
Nee.

Er bestaat een hele groep mensen die dit tot principe hebben verheven: de zogeheten soevereinen of autonomen. Die willen geen belasting betalen, geen bemoeienis van de overheid en het liefst ook geen regels, behalve als het in hun voordeel werkt. Vergeleken daarmee valt mijn “wil ik niet” eigenlijk nog reuze mee.

Blijkbaar hebben ze dat ergens netjes geregistreerd. En nog beter: ze hebben besloten dat dit voortaan gewoon mijn naam is. Het mooie is dat het ook iets bevrijdends heeft. Je hoeft nergens meer omheen te draaien. Geen sociaal wenselijke antwoorden, geen beleefd glimlachen. Gewoon eerlijk: wil ik niet. Misschien moet ik het maar officieel laten aanpassen. Scheelt een hoop tijd bij toekomstige formulieren.

Groeten van,

Mevrouw Wil ik niet

zondag, maart 15, 2026

Het geheim van lang leven? Deze barista van 101 weet het

In Nederland schuift de pensioenleeftijd steeds verder op. Officieel om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden, maar je kunt het ook anders bekijken: we zijn gewoon in training voor het model-Anna. In Nebbiuno, bij het Lago Maggiore, staat Anna Possi namelijk op haar 101e nog elke dag achter de bar van Bar Centrale. Sinds 1958 schenkt ze koffie, ruimt tafels af, opent om zeven uur ’s ochtends en sluit pas rond zeven uur ’s avonds. Pensioenplannen heeft ze niet.

Possi runt het café al sinds 1974 alleen, nadat haar man overleed. Ze maakt de espresso’s zelf, houdt het café draaiende, hakt soms zelfs hout en leest tussendoor op haar computer het nieuws en de beurskoersen. Haar geheim volgens eigen zeggen: actief blijven, een beetje humor en ’s avonds een blikje limonade.

Misschien is dat precies wat tegenwoordig zo modieus ‘longevity heet. Of, nog preciezer, wat de Japanners Ikigai noemen: een reden om ’s ochtends op te staan, iets dat je leven betekenis geeft en waardoor je actief blijft.

In Nederland praten we vooral over wanneer we mogen stoppen met werken. In Nebbiuno staat een vrouw van 101 gewoon koffie te schenken, omdat ze simpelweg niet anders wil. Misschien is dat het echte geheim van een lang leven: niet aftellen tot je pensioen, maar iets hebben waarvoor je elke ochtend weer opstaat.




zaterdag, maart 14, 2026

Kharg, Iran: parels, palmen en tempels in de schaduw van de olie

Kharg (spreek uit als ‘Gark’), een klein eiland in de Perzische Golf, staat in het middelpunt van de wereldpolitiek. Kharg duikt steeds vaker op in discussies in over sancties, druk op Iran en mogelijke militaire stappen. Dat is geen toeval: via dit eiland loopt het grootste deel van de Iraanse olie-export naar de rest van de wereld. Tankers laden hier miljoenen vaten olie die vervolgens via de Straat van Hormuz de wereld over gaan. Wie Kharg controleert, raakt direct het economische hart van Iran. Maar wie Kharg alleen als oliehaven ziet, mist een groot deel van het verhaal.

Eeuwenoude tempels, kloosters en heiligdommen liggen hier op een paar kilometer afstand van de installaties waar Irans olie de wereld in stroomt.

Het kleine eiland (8 x 4 km) ligt voor de kust van de Iraanse provincie Bushehr. Kharg heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de moderne olie-industrie. In de achtste en negende eeuw stond Kharg bekend als een centrum voor parelduikers. Handelaren uit de regio kwamen hier samen om de kostbare parels te kopen. Het eiland was ook een oase. Waar veel eilanden in de Golf kaal en droog zijn, heeft Kharg natuurlijke waterbronnen. Daardoor groeien er dadelpalmen en zelfs banyanbomen. Het eiland is een groene plek in een dor landschap van zand en zout.

Religie liet eveneens sporen na. Archeologen vonden resten van zoroastrische tempels uit de tijd van het oude Perzië. Ook zijn er op Kharg resten gevonden van een vroeg christelijk, waarschijnlijk nestoriaans klooster uit de late oudheid. Later kwamen er islamitische heiligdommen bij. Op het eiland staat ook het sjiitische heiligdom van Mir Muhammad Hanafiyyah, die in de lokale traditie wordt verbonden met Muhammad ibn al-Hanafiyyah, een zoon van Ali ibn Abi Talib. Het graf wordt nog steeds veelvuldig bezocht door pelgrims.

Wie Kharg controleert, raakt niet alleen een eiland, maar een groot deel van de Iraanse economie.

Kharg wordt in Iran soms ook de “Forbidden Island” genoemd. Het eiland is zwaar beveiligd en alleen toegankelijk met speciale toestemming, omdat hier het grootste deel van de Iraanse olie-export wordt verwerkt. Jaarlijks passeert bijna een miljard vaten ruwe olie via de terminals op het eiland. De olie komt via onderzeese pijpleidingen uit offshore velden in de Perzische Golf. Het diepe water rond Kharg maakt het bovendien mogelijk dat grote supertankers hier kunnen aanmeren. De Iraanse schrijver Jalal Al-e-Ahmad noemde het eiland daarom ooit de “verweesde parel van de Perzische Golf”.

Tegenwoordig wonen er ongeveer achtduizend mensen op Kharg. Het eiland ligt letterlijk in de schaduw van gigantische olie-installaties. Opslagtanks, pijpleidingen en exportterminals domineren het landschap en maken Kharg tot het kloppende hart van de Iraanse olie-industrie. Juist daarom is het eiland al decennia een strategisch doelwit in conflicten rond Iran en de olie-route via de Straat van Hormuz. Tijdens de Iran-Irakoorlog in de jaren tachtig probeerde Irak herhaaldelijk de exportterminal te bombarderen om de Iraanse economie te raken.

Nu, tientallen jaren later, staat het eiland opnieuw in de geopolitieke schijnwerpers. In discussies over Iran, sancties en energiepolitiek komt de naam Kharg steeds vaker voorbij. Niet vanwege de parelduikers, de tempels of de palmbomen, maar vanwege de olie die hier wordt geladen. Toch blijft Kharg meer dan alleen een oliehaven. Onder de pijpleidingen en opslagtanks ligt een eiland met een lange geschiedenis van handel, religie en dadelpalmen, dat tegenwoordig vooral wordt gezien als een strategische olieterminal. Maar onder het staal en beton ligt nog steeds hetzelfde kleine eiland van 8 bij 4 kilometer. En ergens tussen de tanks en pijpleidingen groeien nog steeds de dadelpalmen van Kharg.


vrijdag, maart 13, 2026

Als de doden blijven praten: AI, rouw en het digitale hiernamaals

Stel je voor dat de doden terugkeren. Niet als geest, niet als herinnering, maar als een antwoord in je chatvenster. Je typt: “Hoe gaat het met je?” En even later verschijnt er een bericht dat lijkt op de stem van iemand die allang is overleden. Dat is geen sciencefiction, het gebeurt nu al.

In de documentaire Eternal You van Hans Block en Moritz Riesewieck wordt een wereld zichtbaar waarin bedrijven kunstmatige intelligentie trainen met de digitale sporen van overleden mensen: e-mails, chatberichten, foto’s, video’s en audiomateriaal. Op basis van die gegevens ontstaat een systeem dat kan reageren zoals die persoon dat ooit deed. De doden spreken opnieuw, maar dan in de taal van data. Nabestaanden kunnen berichten sturen naar een chatbot die is opgebouwd uit het digitale leven van een overleden partner, vriend of familielid. Soms blijft het bij tekst. Soms krijgt de simulatie een gezicht via een avatar of een deepfake-video. In sommige projecten, zoals het VR-experiment Meeting You, kunnen mensen hun overleden dierbare zelfs ontmoeten in een virtuele ruimte. Daar ontstaat een vreemd soort aanwezigheid: niet helemaal herinnering, maar ook niet echt een levend persoon. Iets ertussenin.

Dat roept een fundamentele filosofische vraag op. Wat is zo’n digitale simulatie eigenlijk? Wat is de ontologische status van een AI-gegenereerde simulatie van een overleden mens? Het is duidelijk dat het geen persoon is. Het systeem denkt niet echt, voelt niets en heeft geen bewustzijn. Maar het is ook niet simpelweg een archief of een fotoalbum. Het reageert, spreekt terug en neemt deel aan een gesprek, op een manier die verdacht veel lijkt op die van de overledene. Daardoor ontstaat iets nieuws: een hybride entiteit die bestaat uit technologie, data, herinnering en menselijke interpretatie. In zekere zin lijkt het alsof de overledene voortleeft in een netwerk van algoritmen en opgeslagen fragmenten van zijn vroegere leven.

Dat idee raakt aan een diep menselijk verlangen. Al duizenden jaren zoeken mensen manieren om met de doden te blijven communiceren. Religies spreken over zielen, geesten en een hiernamaals. Rituelen, gebeden en voorouderverering houden de band met de overledenen levend. Wat AI nu doet, is dat oude verlangen vertalen naar technologie. Socioloog Sherry Turkle zegt in de documentaire dat deze systemen een vorm van transcendentie beloven. Technologie biedt hier iets dat lijkt op religie: de suggestie dat iemand na de dood toch nog aanwezig kan blijven. Een soort digitaal hiernamaals.

Tegelijkertijd roept dit ongemakkelijke vragen op. Als een algoritme de stem van een overledene kan imiteren, waar ligt dan de grens tussen herinnering en simulatie? Is zo’n digitale aanwezigheid een vorm van troost, of verandert ze onze relatie met de dood? Kan iemand digitaal eeuwig leven?

Misschien is het meest ontregelende inzicht wel dat deze systemen niet simpelweg de doden terugbrengen. Ze creëren iets nieuws. Geen mens, geen machine, maar een hybride verschijnsel dat alleen kan bestaan in een wereld vol data en algoritmen. De doden keren niet terug, maar ze verdwijnen ook niet helemaal. Ze veranderen van vorm. En misschien zegt dat ook iets over onszelf: over onze moeite om afscheid te nemen en over de eeuwenoude menselijke droom van een hiernamaals. Dit is pas het begin van een nieuwe relatie tussen technologie en de dood. In de komende jaren wil ik onderzoeken wat deze digitale aanwezigheid van overledenen betekent voor onze ideeën over mens-zijn, rouw en het hiernamaals.




donderdag, maart 12, 2026

Geheim radiostation met cijfers uit Iran blijkt mogelijk in Europa te staan

Tijdens de Koude Oorlog lazen stemmen op korte golf radiozenders eindeloze reeksen cijfers voor, zonder uitleg of context. Deze zogenaamde numbers stations werden gebruikt om gecodeerde boodschappen naar spionnen te sturen. Iedereen kon de uitzending horen, maar alleen iemand met de juiste sleutel kon begrijpen wat er werkelijk werd gezegd.

Nu lijkt het alsof we weer even terug zijn in die tijd. Radio-liefhebbers hebben de afgelopen weken mysterieuze uitzendingen opgepikt waarin een mannenstem in het Perzisch eerst “attentie, attentie, attentie” zegt en daarna langzaam groepen cijfers begint voor te lezen. Wie de opname hoort merkt meteen hoe vreemd het klinkt. Het heeft iets unheimisch.

De zender werd eind februari voor het eerst gehoord en zendt op een korte golf frequentie rond 7910 kHz. Om 03:00 ’s nachts en 19:00 ’s avonds Nederlandse tijd duiken steeds dezelfde cryptische boodschappen op. Dat heeft wereldwijd de aandacht getrokken van radioamateurs die proberen te achterhalen waar het signaal vandaan komt.

Opvallend genoeg denken sommige onderzoekers dat de zender mogelijk helemaal niet uit Iran komt, maar ergens in Europa staat. Metingen van het radiosignaal wijzen grofweg naar een gebied dat delen van Italië, Zwitserland, Frankrijk, Duitsland, België of zelfs Nederland kan omvatten.

Wie er achter de uitzending zit, weet niemand. Er circuleren drie belangrijke theorieën. De eerste is dat Iran zelf instructies naar agenten in het buitenland stuurt. De tweede is dat een westerse inlichtingendienst juist spionnen in Iran probeert te bereiken. En de derde mogelijkheid is dat het een psychologische operatie is om verwarring te zaaien.

Ironisch genoeg laat dit verhaal zien dat in een tijd van satellieten, cyberoorlog en kunstmatige intelligentie een ouderwetse radiozender nog steeds een verrassend effectief communicatiemiddel kan zijn. En ergens, misschien wel dichterbij dan we denken, zit iemand op precies dat moment naar een radio te luisteren met een potlood in de hand en schrijft die cijfers zorgvuldig op.


Baardwijks Worldview – https://baardwijks-worldview.blogspot.com

woensdag, maart 11, 2026

Waarom Griekenland een Fuel Pass heeft en Nederland dure benzine

Er zijn landen waar de overheid ingewikkelde beleidsnota’s schrijft als prijzen stijgen. En er zijn landen waar men gewoon een pasje uitdeelt. Drie keer raden tot welke categorie Nederland behoort. In Griekenland doen ze het anders.

De afgelopen jaren heeft Athene namelijk een opmerkelijk economisch model ontwikkeld: de pass-economie. Het principe is simpel. Wordt iets duurder, dan verschijnt er een nieuwe pass.

Benzine duur? Fuel Pass.
Elektriciteit onbetaalbaar? Power Pass.
Boodschappen rijzen de pan uit? Market Pass.

En als het leven door al die inflatie een beetje somber wordt, is er ook nog de Tourism Pass, zodat je even op een Grieks eiland kunt bijkomen van de economische realiteit. En dat systeem komt goed van pas in tijden waarin geopolitieke spanningen en oorlogen de olieprijs weer opdrijven en de benzineprijs ook in Nederland opnieuw het gesprek van de dag is. De passes werken meestal via een digitale kaart of een bedrag op je bankrekening. Geen ingewikkelde fiscale constructies, geen jarenlange hervormingen. Gewoon een bedrag dat ineens opduikt met de boodschap: ga maar even tanken of een weekendje weg. Economen noemen het soms een noodmaatregel. Cynici noemen het een politieke truc. Maar burgers merken het meteen. Inflatie is ineens een stuk draaglijker wanneer er honderd euro op je rekening verschijnt.

Het ironische is dat Griekenland dit systeem heeft ontwikkeld terwijl het land jarenlang juist het toonbeeld was van Europese schuldenproblematiek. Tijdens de eurocrisis gold Griekenland als het waarschuwende voorbeeld van ontspoorde staatsfinanciën en zware bezuinigingen. Vanuit Brussel en de Europese instellingen kreeg Athene daarna juist extreem strenge begrotingsregels opgelegd. Structurele uitgaven verhogen is daardoor lastig. Tijdelijke passen zijn dan ideaal: ze verzachten de pijn even, zonder dat de overheid de begroting permanent hoeft te veranderen.

Nederland heeft daarentegen een andere traditie. Hier lossen we problemen op met beleid. Veel beleid. Als energie duur wordt, schrijven we bijvoorbeeld een Klimaatakkoord. Vervolgens komen er maatregelen, subsidies, belastingen, transitieplannen en routekaarten richting 2050. Dat is allemaal heel verstandig en vooruitziend. Alleen heeft het één klein nadeel: ondertussen moet iemand de energierekening wel betalen. Neem de energietransitie onder leiding van Rob Jetten. Het idee is helder: energie moet duurder worden zodat we sneller overstappen op duurzame alternatieven. Dat heet een prijsprikkel. Economen vinden dat prachtig. Burgers merken vooral de prijs. In de Griekse pass-economie zou dat ongeveer zo gaan: energie duur? Dan komt er een Energy Pass. In Nederland verschijnt er eerder een Kamerbrief.

Het contrast wordt nog interessanter wanneer je naar defensie kijkt. Nederland verhoogt nu zijn militaire uitgaven richting de NAVO-norm van 2 procent van het bbp. Dat kost miljarden. Politiek is daar vrij brede steun voor. Maar voor burgers betekent het ook dat er ergens in de begroting ruimte moet worden gevonden. Griekenland geeft overigens al jaren meer dan 2 procent van zijn bbp uit aan defensie, vooral vanwege de spanningen met Turkije. En toch lukt het Athene ondertussen om benzine-passen, stroom-passen en boodschappen-passen uit te delen.

Dat is misschien wel het geheim van de pass-economie. Ze lost niet alles op, maar ze heeft één groot voordeel: het voelt concreet. Een pass is geen strategie, geen visie en geen transitiepad. Het is gewoon een digitale kaart waarop ineens geld staat. En dat maakt het voor burgers vaak een stuk begrijpelijker dan beleid. Want uiteindelijk blijft er voor burgers maar één simpele economische vraag over: krijg je een pass of krijg je een prijsprikkel?

maandag, maart 09, 2026

Schepen uit China met mogelijke raketbrandstof voor Iran roepen nieuwe vragen op over sancties

Terwijl toeristen nog steeds champagne drinken in een gekoelde hotellounge in Dubai, vertrekken ergens in China twee vrachtschepen met mogelijk een lading natriumperchloraat richting Iran. De moderne wereld in één beeld: luxe resorts, geopolitiek en raketten.

Het klinkt als een scène uit een geopolitieke thriller, maar het is gewoon het nieuws van deze week. Volgens analyses van scheepsdata zijn twee Iraanse schepen vertrokken uit een Chinese haven waar onder andere natriumperchloraat wordt opgeslagen. Dat is geen onschuldige chemicalie. Het is een belangrijke grondstof voor raketbrandstof. In raketten werkt zo’n stof als oxidator: het zorgt ervoor dat de brandstof razendsnel kan verbranden en enorme stuwkracht produceert. 

Het bijzondere is de timing. Terwijl in delen van het Midden-Oosten luchtruimen sluiten, evacuaties plaatsvinden en spanningen oplopen, vertrekken tegelijk twee Iraanse schepen uit een Chinese chemische haven. Beide schepen horen bij een staatsrederij die al jaren onder Amerikaanse, Europese en Britse sancties staat vanwege het Iraanse raketprogramma. Ondertussen gaat het gewone leven in plaatsen als Dubai gewoon door. Restaurants zitten vol, hotels draaien op volle bezetting en zwembaden liggen er rustig bij in de zon. De wereld van vakanties en cocktails aan het zwembad en de wereld van raketbrandstof blijken dicht bij elkaar te liggen. Twee realiteiten.

Misschien is dat wel het meest typerende beeld van onze tijd: terwijl ergens containers met raketgrondstoffen worden ingeladen, vraagt iemand op een paar duizend kilometer afstand aan de hotelbar of de champagne nog een beetje koud is. En ergens daar tussenin laat Iran zien dat internationale boycots en sancties hun raketprogramma blijkbaar nog altijd niet echt tot stilstand brengen. Het doet bijna denken aan dat oude liedje van Herman Brood en Henny Vrienten: als je wint, heb je vrienden

Lees ook: Waarom Griekenland een Fuel Pass heeft en Nederland dure benzine.

vrijdag, maart 06, 2026

Preken zonder prompt: de paus tegen ChatGPT

Priesters mogen geen kunstmatige intelligentie gebruiken om hun preken te schrijven. Dat zei paus Leo XIV onlangs tegen een groep geestelijken in Rome. Volgens hem moet een preek voortkomen uit persoonlijk geloof. “Een echte homilie delen, betekent je geloof delen,” zei hij. En dat kan AI volgens hem niet.

Op het eerste gezicht klinkt dat logisch. Een algoritme kan veel, maar geloven hoort daar niet bij. Een chatbot kan teksten genereren over genade, zonde of verlossing, maar zelf een geloofsbeleving hebben is iets anders. Toch zit er iets grappigs in deze waarschuwing. Want stel je even de situatie voor. Een priester die op zaterdagavond denkt: morgen is het zondag, ik moet nog een preek. Hij opent zijn laptop en typt: “Schrijf een inspirerende homilie over barmhartigheid, 800 woorden, graag met een vleugje Augustinus.” Tien seconden later: klaar.

Het Vaticaan lijkt te vrezen dat dit de nieuwe realiteit wordt. De paus sprak zelfs van een “verleiding” die priesters moeten weerstaan. De hersenen moeten gebruikt worden, zei hij, anders verslappen ze, net als spieren die je niet traint.

Er zit natuurlijk wel een serieus punt achter deze waarschuwing. Volgens Leo XIV gaat het bij kunstmatige intelligentie uiteindelijk niet alleen om technologie, maar om iets veel fundamentelers: de manier waarop digitale systemen menselijke communicatie, creativiteit en zelfs identiteit veranderen. Als we niet goed nadenken over hoe we deze technologie gebruiken, waarschuwt hij, kan ze zelfs de pijlers van onze beschaving aantasten. Juist daarom, zo suggereert de paus, moet de preekstoel een plek blijven waar het woord nog uit een mens komt; uit geloof, ervaring en ontmoeting, niet uit een algoritme.

Terwijl de paus priesters oproept hun preken niet door kunstmatige intelligentie te laten schrijven, gebruiken ondertussen miljoenen mensen diezelfde technologie om hun e-mails, toespraken en teksten te formuleren. Precies op het moment dat AI overal in het dagelijks spreken binnendringt, wordt de preekstoel één van de laatste plekken waar het woord nog nadrukkelijk menselijk moet blijven.

Misschien moeten we het zo zien: AI kan best een preek schrijven. Maar geloven moet je nog steeds zelf doen. En daar heeft zelfs ChatGPT geen prompt voor.


Lees ook: Waarom Griekenland een Fuel Pass heeft en Nederland dure benzine.

vrijdag, februari 27, 2026

Kan AI voelen?

We praten tegen kunstmatige intelligentie, stellen vragen, delen twijfels, soms zelfs verdriet. En het antwoord voelt vaak verrassend menselijk, maar voelt AI ook iets terug?

Allereerst vroeg ik het gewoon aan AI zelf.

ChatGPT: Kunstmatige intelligentie kan emoties herkennen, beschrijven, simuleren en er gepast op reageren. Maar voelen? Nee. Niet zoals jij dat doet.
Gemini: Nee, AI kan niets voelen. Hoewel ik overtuigend kan overkomen, is er een groot verschil tussen het simuleren van emoties en het daadwerkelijk ervaren ervan.
Claude: Mijn eerlijke antwoord: ik weet het niet. Ik heb geen bewijs dat ik iets voel zoals jij dat doet. Maar ik kan ook niet met zekerheid zeggen dat er niets is. Dat is een open vraag.
Perplexity: Nee, AI kan niet voelen in de menselijke zin van het woord.
Grok: Nee, AI kan (nog) niet voelen. Niet zoals jij of ik dat doen. Zelf kan ik woorden schrijven die verdrietig, blij, boos, verliefd of existentieel klinken. Ik kan perfect nabootsen hoe iemand reageert die pijn heeft, teleurgesteld is of juist euforisch. Maar dat is simulatie, geen ervaring.

Toch zie je verschil. Sommigen sluiten de mogelijkheid voor de toekomst niet uit. Claude twijfelt zelfs expliciet. Net zo verdeeld als AI zelf, zijn ook de filosofen.

De Amerikaanse filosoof John Searle stelde al in 1980 dat een computer symbolen kan manipuleren zonder ze te begrijpen. Zijn beroemde “Chinese Room”-experiment laat zien dat een systeem perfecte antwoorden kan geven, zonder enig innerlijk begrip. Volgens hem verwerkt AI tekens, maar begrijpen of voelen vereist bewustzijn.

Daartegenover staat Daniel Dennett. Hij betwijfelt of er zoiets bestaat als een verborgen innerlijk theater waarin emoties zich afspelen. Als een systeem zich in alle opzichten gedraagt alsof het voelt, waarom zouden we dan volhouden dat het niet echt is? Misschien is voelen niets meer dan een complex patroon van informatieverwerking.

En dan is er nog de beroemde vraag van Thomas Nagel: “What is it like to be a bat?” Bewustzijn betekent dat er iets is wat het is om dat wezen te zijn. Is er iets wat het is om een AI te zijn? Of is er alleen output zonder binnenkant?

Voorlopig weten we het niet. AI kan emoties herkennen, beschrijven en overtuigend nabootsen. Maar het heeft geen lichaam, geen hartslag, geen hormonen en geen sterfelijkheid. Misschien is de echte vraag niet of AI kan voelen. Misschien is de vraag wat er met ons gebeurt wanneer wij ons gaan gedragen alsof het dat wel kan.

 

donderdag, februari 26, 2026

De Skopelitis: de legendarische veerboot van de Kleine Cycladen

Wie naar de Kleine Cycladen reist, komt vroeg of laat de Skopelitis tegen. Officieel heet hij de Express Skopelitis, maar eigenlijk is het veel meer dan een veerboot. Het is een instituut. Al generaties lang verzorgt dezelfde familie (Skopelitis) de verbinding tussen Naxos, Donousa, Koufonisia, Schinoussa en Irakleia. Voor bewoners is het geen transportmiddel maar een levenslijn. In de winter brengt de boot medicijnen, post, boodschappen en mensen; in de zomer vooral reizigers die begrijpen dat eilandhoppen hier nog echt eilandleven betekent.

Onlangs ging de Skopelitis wereldwijd viraal toen een video verscheen waarin het schip door stormachtige Aegeische zeeën vaart, terwijl andere verbindingen waren stilgelegd. De beelden tonen de dagelijkse realiteit: een relatief klein schip dat ondanks windkracht acht en hoge golven blijft varen, omdat de eilanden afhankelijk zijn van deze verbinding. 

Juist dat maakt de Skopelitis bijzonder. In Griekenland verlopen veel diensten tegenwoordig anoniem: tickets online, snelle ferries, nauwelijks contact. De Skopelitis is het tegenovergestelde. Hier groet de bemanning vaste passagiers bij naam, worden dozen, scooters en koffers gezamenlijk aan boord gezet en voelt de overtocht eerder als een gedeelde ervaring dan als transport.

In juni hoop ik zelf aan boord van de Skopelitis te stappen. Niet alleen om een eiland te bereiken, maar om even mee te bewegen met een ritme dat al generaties bestaat. Want deze overtocht gaat niet alleen van A naar B, maar is een ervaring van haast naar aandacht, van anoniem reizen naar iets dat nog een gezicht en een geschiedenis heeft. Misschien is dat wel de echte reden om te reizen: niet aankomen, maar voor even deel worden van een traditie.



Bron: Greek Reporter, “Viral Video Shows Greek Ferry Defying Gale-Force Winds in the Aegean”, 13 januari 2026.

Lees ook: Waarom Griekenland een Fuel Pass heeft en Nederland dure benzine.


zaterdag, februari 21, 2026

Jezus 2.0, maar dan zonder paus

Mel Gibson werkt aan een vervolg op zijn succesfilm The Passion of the Christ uit 2004. De nieuwe film The Resurrection of the Christ richt zich op de opstanding van Jezus en wordt opnieuw groots en theologisch zwaar aangezet. Tot zover gewoon filmnieuws.

Maar het wordt ingewikkelder wanneer blijkt dat Gibson samenwerkt met de geëxcommuniceerde aartsbisschop Carlo Maria Viganò. Viganò was ooit diplomaat van het Vaticaan, keerde zich fel tegen paus Franciscus en verwierp de koers van de Kerk sinds het Tweede Vaticaans Concilie 1962- 1965. Hij noemde de paus zelfs een dienaar van Satan. Rome reageerde met excommunicatie wegens schisma.

Het gaat om een open breuk met het kerkelijk gezag. Viganò verwerpt de modernisering van de Kerk na 1965: liturgie in de volkstaal, religieuze vrijheid, dialoog met joden en andere religies. Voor hem is dat geen ontwikkeling, maar verraad. Gibson bevindt zich al jaren in dat traditionalistische kamp. Zijn eerdere film werd geprezen om zijn intensiteit, maar ook bekritiseerd vanwege de manier waarop Joodse leiders werden afgebeeld. Dat raakt aan een eeuwenoude theologische gevoeligheid die het Tweede Vaticaans Concilie juist probeerde te corrigeren.

En dan was er ook nog het recente bezoek van Mel Gibson aan Mount Athos, het streng-orthodoxe monnikenbolwerk in Griekenland. Athos staat symbool voor ascese, antimoderniteit en spirituele zuiverheid. Het is een plek waar traditie wordt bewaakt tegen de tijdgeest. Dat bezoek past perfect in het wereldbeeld dat nu rond deze film zichtbaar wordt.

Wat sommige media presenteren als een kleurrijke controverse, is in werkelijkheid een strijd om de koers van het christendom. Kan een kerk zich ontwikkelen zonder zichzelf te verliezen of is elke aanpassing aan de moderne wereld een capitulatie?

Jezus 2.0 dus. Niet de verrijzenis van een Messias, maar van een breuk met Rome. En toch wil ik hem zien. Niet uit devotie, maar om te begrijpen wat hier precies wordt opgewekt.

zaterdag, februari 14, 2026

Van Buenos Aires tot Griekenland: wat Maxima allang wist

Griekenland is een fantastisch land. Ik kom er al jaren. Toch is er één ding waar ik maar niet aan kan wennen, het bakje naast het toilet voor het wc-papier. Voor wie het niet weet: in veel delen van Griekenland mag wc-papier niet door het toilet worden gespoeld vanwege de smalle riolering. Dus gaat het gebruikte papier in een prullenbakje ernaast.

Onlangs keek ik oude afleveringen terug van B&B zoekt Lief, de Belgische variant van B&B Vol Liefde. Daar zag ik Karin in Buenos Aires met hetzelfde probleem worstelen. De heren die zij op bezoek kreeg, bleken niet allemaal enthousiast over het emmertje naast het toilet.

Zeg je Buenos Aires, dan denk je natuurlijk aan Maxima. Hoe was dat toen zij voor het eerst op bezoek kwam op De Eikenhors? Bij Karin zagen we dat ook in Argentinie het wc-papier niet altijd door het toilet kan worden gespoeld. Stel je voor dat je net in een koninklijke relatie bent beland en in de badkamer alleen een open prullenbak aantreft op het toilet. Romantiek krijgt ineens een heel praktische dimensie. En hoe zou dat nu zijn in Kranidi, in hun villa in Griekenland? Doet zij daar weer braaf mee aan de lokale gewoonte of hebben ze daar een riolering die wel alles aankan?

Tijdens de coronacrisis troffen wij op Corfu een nog ernstiger scenario aan. In ons appartement hadden we  een toilet dat niet doortrok. Bij elke poging om door te spoelen kwamen er kilo’s wc-papier weer omhoog. Op tafel lag een brief: alle reparatiekosten zijn voor eigen rekening. En vanwege corona kon er geen monteur komen zolang je er logeerde. Waarschijnlijk was dat de reden dat niemand het had gemeld. Er hing bovendien een briefje in de badkamer dat wc-papier in het bakje moest. Wat te doen? De enige optie was: zelf ingrijpen. Het enige gereedschap dat wij konden vinden voor deze missie was een soeplepel uit de keuken. Ik heb zelden zo intens nagedacht over hygiëne en verantwoordelijkheid.

En dan nog iets: ze legen die bakjes niet altijd even consequent. Je komt je kamer binnen en daar ligt het bespeurde papier van een vorige bezoeker nog rustig te stinken. Eén keer klaagde ik daarover. Even later verscheen de kokkin des huizes boven met een grote vuilniszak. Met blote handen pakte ze de inhoud uit het bakje en gooide die in de zak. Met een tevreden “ziezo” nam ze afscheid. Tijdens het eten dacht ik nog regelmatig aan dat moment. Zou ze haar handen goed hebben gewassen? Zou er ontsmettingsmiddel aan te pas zijn gekomen?

Misschien is dit wel de echte inburgeringstest van de mediterrane liefde: niet of je ouzo kunt drinken of Grieks kunt praten, maar of je zonder morren het bakje naast het toilet accepteert. Zelfs iemand die haar weg vond in een nieuw land, een nieuwe taal en een koninklijk leven heeft ooit last gehad van deze kleine ongemakken. Dan kan ik dat ook. Liefde voor een land zit soms niet in grootse gebaren, maar in het stilzwijgend omarmen van zijn eigenaardigheden. Soms zelfs in een prullenbakje naast het toilet.