Oorlogen spelen zich zelden nog alleen af op het slagveld. Ook conflicten die zich duizenden kilometers verderop afspelen, kunnen diepe emoties oproepen in steden ver weg, woede, verdriet, solidariteit en scherpe polarisatie. Dat geldt niet alleen voor één specifieke oorlog, maar voor vrijwel elk hedendaags conflict dat via digitale media onze levens binnenkomt. De manier waarop oorlog wordt gemedieerd bepaalt hoe wij hem voelen, begrijpen en er positie in kiezen.
De mediatisering van het conflict tussen Israël en Gaza
Waarom roept een oorlog
op duizenden kilometers afstand zoveel woede, verdriet en polarisatie op in
Amsterdam, Londen of New York? Het antwoord ligt in de mediatisering van het
conflict tussen Israël en Gaza. Sociale media transformeren dit conflict van een
regionale oorlog tot een wereldwijd emotioneel spektakel. Actor-Network Theory
helpt te begrijpen hoe mensen en technologie samen handelen.[1]
Het Four A's-model van Lewis en Westlund (2015) – actoren, actanten,
activiteiten en publiek – maakt zichtbaar hoe deze digitale netwerken opinies
vormen en emoties mobiliseren.[2]
De belangrijkste actoren
zijn niet alleen soldaten en politici, maar iedereen die het conflict online
zichtbaar maakt. Palestijnse en Israëlische burgers delen video's van
bombardementen of van hun dagelijkse leven. Journalisten proberen nieuws te
verifiëren terwijl de berichtenstroom sneller is dan ooit. Influencers en
diaspora-gemeenschappen gebruiken hun platforms om solidariteit te mobiliseren.
Een Palestijnse vader die zijn gewonde kind vasthoudt, een Israëlische moeder
die in een schuilkelder zit, zij worden via sociale media tot gezichten van het
conflict. Mensen wereldwijd voelen zich verbonden
met slachtoffers.
De actanten (platforms,
algoritmen en technologieën) zijn cruciaal in dit proces. TikTok, Instagram en
X bepalen via hun algoritmen welke beelden miljoenen mensen bereiken. Deze
algoritmen zijn niet neutraal: ze laten vooral content zien die emotionele reacties
oproept, omdat emotie leidt tot meer likes, shares en dus meer betrokkenheid.
Een schokkend beeld van een verwoeste school krijgt meer zichtbaarheid dan een
genuanceerd nieuwsartikel. Hashtags zoals #Gaza of #StandWithIsrael groeperen
berichten en creëren digitale kampen. Smartphones maken het mogelijk om oorlog
in real time te delen. Deze technologieën bepalen niet alleen wat zichtbaar is,
maar ook hoe mensen emotioneel reageren.
De activiteiten vormen
het hart van de emotionele verspreiding. Mensen posten, delen, liken en taggen,
maar deze handelingen zijn meer dan informatie-uitwisseling. Een gedeelde video
is een moreel statement, een like een vorm van solidariteit. Wanneer een video
van een huilende vader die zijn dochters verloor viraal gaat, gebeurt dit omdat
het algoritme emotionele content versterkt. De video wordt gedeeld zonder
context, zonder verificatie, maar met maximale emotionele impact. Gebruikers
voelen directe woede of verdriet en willen hun positie tonen. Elke share
vergroot de reikwijdte en mobiliseert meer mensen. Zo ontstaat een
kettingreactie waarin emoties wapens worden in een digitale oorlog om aandacht
en morele superioriteit.
Het
publiek is geen passieve ontvanger, maar wordt actief gemobiliseerd. Miljoenen
mensen wereldwijd reageren emotioneel op beelden die hen via algoritmen
bereiken. Ze ervaren een directe emotionele schok die tot actie aanzet. Iemand
in Europa kan via zijn telefoon live meekijken met een bombardement en voelt
zich genoodzaakt positie te kiezen. Algoritmen versterken dit door vooral
content te tonen die aansluit bij bestaande overtuigingen: Palestina-supporters
zien vooral Palestijns leed, Israël-supporters vooral Israëlische slachtoffers.
Het publiek reageert niet alleen online: digitale emoties leiden tot
demonstraties, economische boycots en politieke druk op regeringen.
Nieuwsorganisaties en politici passen hun berichtgeving en standpunten aan op
basis van wat online trending is, waardoor het publiek indirect invloed
uitoefent.
De vier categorieën
van het Four A’s-Model (actoren, actanten, activiteiten en publiek) hangen nauw
samen en versterken elkaar continu. Actoren gebruiken
actanten om emotionele content te produceren. Algoritmen selecteren en
versterken die content. Activiteiten verspreiden het verder. Het publiek
reageert emotioneel en deelt opnieuw, waardoor nieuwe content ontstaat. Een
soldaat die weet dat zijn video viraal kan gaan, kiest bewust voor schokkende
beelden. Een algoritme dat vooral emotionele content toont, vergroot
polarisatie. In dit netwerk is macht verdeeld tussen mensen en technologie: een
individuele burger kan met één smartphone-video meer impact hebben dan een
traditioneel nieuwsmedium.
Deze mediatisering
verklaart waarom het conflict wereldwijd zoveel emoties oproept. Sociale media
brengen oorlog in de woonkamer, maar niet objectief, ze tonen vooral wat
emotioneel raakt. Algoritmen zijn ontworpen om betrokkenheid te maximaliseren,
niet om context of nuance te bieden. Hierdoor ontstaat een versimpeld,
gepolariseerd beeld waarin ruimte voor twijfel of grijstinten verdwijnt.
Beelden circuleren sneller dan verificatie mogelijk is.
De Actor-Network Theory
heeft beperkingen: het verklaart goed hoe alles samenhangt, maar zegt weinig
over wie verantwoordelijk is. Wie controleert de algoritmen? Wie verdient aan
polarisatie? In een conflict waarin platformbedrijven geld verdienen aan beelden
van dode kinderen, zijn dat cruciale vragen die het model niet beantwoordt.
De oorlog tussen Israël
en Gaza toont hoe diep mediatisering is doorgedrongen: emoties worden
gemobiliseerd door netwerken van mensen en machines. De Actor-Network Theory
maakt zichtbaar dat deze emotionele impact geen toeval is, maar het resultaat
van hoe algoritmen werken. In digitale oorlog zijn gevoelens wapens geworden en
technologie bepaalt welke emoties het hardst raken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten