Tussen lava en lobby zat een Indiër op een krukje. Zijn winkeltje in Hotel Seaside Jameos op Lanzarote was klein, maar tegelijk oneindig. Alles lag er. Slippers, zonnebrand in elke denkbare factor, magneten, armbandjes, speelgoed, tassen, zonnebrillen, sieraden, tandpasta, opladers, flessen water, tassen, nog meer zonnebrand. Je kon er nauwelijks lopen zo vol was het winkeltje.
Je zag het zo voor je: de vertegenwoordigers die ooit binnenstapten met hun koffers vol troep en hun zinnen vol beloften. “Dit verkoopt zichzelf.” “In zo’n hotel loopt dat als een trein.” “Goudmijn.” Ze moeten de man een toekomst met gouden bergen hebben beloofd, waarin toeristen elkaar verdringen om zonnebrand en sleutelhangers. Hij had alles wat iemand maar kon vragen, alleen geen klanten.
Ik
was mijn slippers vergeten. Dat werd zijn hoogtepunt van de week. Hij leefde
op, vertelde dat Nederlanders twee maten groter moeten nemen, omdat
Nederlanders grote voeten hebben. Hij zei het met de ernst van een podoloog. En
het klopte nog ook.
Op mijn bankapp zag ik dat de winkel Shri Ganesh heette. We noemden hem daarom Shri. Vast niet zijn echte naam. Ganesha, de hindoegod van voorspoed en het wegnemen van obstakels. Veel Indiase families op de Canarische Eilanden zijn ooit gekomen om handel te drijven. Ondernemersbloed, doorzetters, familiebanden en een verhaal van kansen en succes.
Maar Shri zat daar meestal alleen, op zijn krukje. Achter hem een klein altaar met een beeldje van Ganesh en een stokje wierook. Voor hem schappen vol producten die zichzelf volgens de vertegenwoordigers zouden verkopen. Omdat ik nu eenmaal een zwak heb voor religies, vroeg ik hem naar het altaar achter hem. Zijn reactie verraste me. Hij was afwijzend, bijna chagrijnig. Hij ging demonstratief rechtop en wat breder zitten, precies voor het altaar, zodat ik het niet meer kon zien. Alsof ik de duivel was en zijn altaar met een blik kon ontwijden. Misschien is geloof iets wat je niet tussen zonnebrandfactor 50 en opblaasflamingo’s wilt uitleggen.
De hele week zagen wij nauwelijks iemand iets kopen. En wij liepen er vaak langs; om op onze kamer te komen, moesten we steeds langs zijn winkel. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zat Shri op zijn krukje. Elke
dag iets stiller. Ik moest steeds denken aan wat hij na een lange dag thuis aan zijn familie zou vertellen. “Nee, vandaag ook niet.” “Ja,
het hotel zit vol.” ”Nee, ze kopen niets.” “Ja, ik heb alles.”
Een keer was de winkel dicht. Toen wij langsliepen, kwam
hij luid roepend uit het toilet gerend, broek nog half op de enkels, bang een
klant te missen. We hadden niets nodig. Het was tegelijk komisch en pijnlijk.
Soms lag hij naast zijn winkel op een oude katholieke kerkbank die in de hal stond, moedeloos voor zich uit te kijken. Het contrast
kon niet groter zijn: een Indiase ondernemer onder het toeziend oog van Ganesh,
uitgestrekt op een afgedankt katholiek bankje in een Canarisch hotel, wachtend
op een klant die niet kwam.
Uit medelijden kocht Michael later nog een pet bij hem. Weer was hij door het dolle heen. Al zijn levenslust kwam terug. Hij gaf advies alsof het om haute couture ging, maakte het riempje millimeter voor millimeter op maat. Ik kocht ook nog een tasje. Even voelde hij zich weer ondernemer. Maar we konden moeilijk de hele winkel leegkopen. Een paar aankopen veranderen niets aan een week zonder klanten. Soms denk ik: als Jutta Leerdam en Jake Paul hier eens binnen zouden stappen. Voor het bedrag van één peperdure tas hadden ze waarschijnlijk zijn complete voorraad kunnen overnemen, inclusief de zonnebrand die “zichzelf verkoopt”. Maar zulke mensen kopen geen petjes in hotelgangen. Geld cirkelt graag rond geld en Shri zat niet in die baan.
Misschien is
dat ook het verhaal over de Indiase gemeenschap op Lanzarote. Niet alleen
succesverhalen. Soms ook een man in een hotelgang, met een winkel die volgens
de vertegenwoordigers een goudmijn moest zijn, wachtend tot iemand zijn
slippers vergeet.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten