Ik had eerlijk gezegd altijd het beeld dat de
Algarve in Portugal synoniem stond voor beton, hoogbouw en massatoerisme, een plek waar ik
nog niet dood gevonden wilde worden. De westkant van de regio deed ook weinig
om dat vooroordeel weg te nemen. Maar in het oosten ontdekte ik, bijna per
ongeluk, een zeldzame parel zo dicht bij huis. Dit stukje Algarve in Portugal voelt totaal anders dan het beeld dat ik had. Het is een plek die zich niet
aan je opdringt, maar zich langzaam prijsgeeft en juist daardoor iets in je
losmaakt. In dit oude tonijnvissersdorp is de tijd niet verdwenen, maar als een
zachte deken over het verleden heen gaan liggen. Je voelt dat bij Hotel VilaGalé Albacora. Eigenlijk moet ik zeggen Arraial Ferreira Neto, zoals het dorp oorspronkelijk
heette.

Dit was
nooit zomaar een dorp. Het werd in 1943 in één keer gebouwd, speciaal voor de
tonijnvisserij. Geen plek die langzaam groeide, maar een gemeenschap die
doelgericht werd neergezet rond één ding: tonijnvissen. Er waren woningen voor vissers
en hun gezinnen, een school, een kapel, opslagruimtes en werkplaatsen. Alles
stond in het teken van de Armação, de traditionele manier van tonijn vangen met
vaste netten. In het seizoen kwam het dorp tot leven, daarna viel het weer
stil. Een ritme dat bepaald werd door de zee.
Totdat dat ritme stopte. In de jaren 60 begon de neergang
en in 1972 werd het dorp definitief verlaten. En dat is misschien wel het meest
voelbare hier: dat dit geen plek is die langzaam leegliep, maar een plek die
zijn reden van bestaan verloor. De huizen bleven staan, maar zonder stemmen. De
straten zonder voetstappen. Jarenlang was dit een verlaten dorp, een plek waar
alleen de wind en het zout nog hun werk deden. Je kunt je bijna voorstellen dat
het hier ’s avonds niet alleen stil was, maar ook geladen. Niet eng, maar vol
herinnering.
Pas in 1999 kwam er weer leven in deze plaats, toen het
werd gerestaureerd en heropend als Hotel Vila Galé Albacora. Maar ze hebben
hier iets zeldzaams gedaan: ze hebben het dorp niet veranderd in een decor,
maar het gelaten zoals het was. De structuur bleef, de gebouwen bleven, en
daarmee ook het gevoel dat je hier niet in een hotel bent, maar op een plek met
een verleden dat nog niet verdwenen is. En dat voel je. De lage huisjes, de
smalle straatjes met kinderkopjes, de muren in zachte okertinten, alles ademt
een leven dat hier ooit echt was. Als je er doorheen loopt, voelt het niet
alsof je ergens logeert, maar alsof je ergens te gast bent, waar de tijd een
beetje stil is blijven staan.
In het kleine museum komen die mensen van weleer ineens
dichtbij. Mannen die met enorme tonijnen poseren, gezinnen die hier woonden,
werkten, leefden. Dan kijk je naar je eigen kamer, die eerlijk gezegd vrij
klein is, en dan vraag je je af: hoe leefden zij hier met een heel gezin? Hoe
klonk dat, hoe rook dat, hoeveel ruimte had je om even alleen te zijn? Waar
sliep het hele gezin? Het maakt iets los. Het haalt het hotel als decor weg en
laat het menselijke weer zichtbaar worden.
Er is hier een rust die moeilijk uit te leggen is. Geen
opgelegde stilte, maar een soort vanzelfsprekende kalmte. Alsof de plek zelf
geen haast kent. Overdag is het al voelbaar, maar ’s avonds wordt het bijna
tastbaar. Dan valt er iets over het terrein heen wat je alleen maar kunt
ervaren. Geen lawaai, geen drukte, alleen vogelgekwetter en, minder romantisch,
het gezoem van muggen. En toch dat stille besef dat alles klopt, alsof het
leven hier even precies is zoals het bedoeld is. Dan zit je daar, in je kleine
tuintje bij je kamer. Je eigen stukje, omsloten door groen, met uitzicht op die
eenvoudige huizen die ooit vol leven zaten. En gek genoeg voelt het niet als
een hotelkamer, maar als iets dat dichter bij thuis ligt. Alsof je er even bij
hoort.
Wat het misschien nog bijzonderder maakt, is dat het oude
leven hier niet alleen zichtbaar is, maar nog steeds een plek heeft. De school,
de kerk en het museum zijn geen decorstukken, maar ankers van wat hier was. Je
loopt een kapel binnen en het licht valt door een gekleurd raam precies op het
altaar en je beseft dat dit ooit het centrum van een gemeenschap was.
En dan is er kat Shiva. Ze gedraagt zich alsof ze de
leiding heeft over het hotel en misschien is dat ook wel zo. Ze verwelkomt de
gasten, loopt met je mee om de weg naar het ontbijt te wijzen. Ze weet precies waar
je moet zijn. En tussendoor ligt ze op een bank in de lobby te slapen, alsof
alles onder controle is.
En alsof dat nog niet genoeg is, ligt deze plek ook nog
eens midden in het natuurgebied Ria Formosa, een eindje buiten Tavira. Dat contrast is misschien wel het mooiste van alles. Overdag of ’s avonds in
Tavira, overigens een prachtige stad, maar daarover later meer, en dan terug.
Met een Uber die eerst nog door de drukte van de stad rijdt en dan ineens de
weg opgaat door het natuurgebied. Donkerder, stiller, opener. En dan kom je
hier weer aan en stap je opnieuw die andere wereld binnen. Alsof je niet
alleen een afstand hebt afgelegd, maar ook een laag van de werkelijkheid achter
je laat.
Misschien is dat wel de kern van deze plek. Dat niets
hier hard roept om aandacht, maar alles wel iets zegt. In de geschiedenis die
nog in de muren zit, in de stilte van de avond, in de foto’s van de vissers, in
de kleine kamers die je dwingen na te denken over hoe anders het leven kan zijn.
Ik had dit nooit
verwacht van de Algarve. Maar misschien zit het geheim juist daarin. Dat je
soms, op een plek die je al denkt te kennen, ineens een wereld binnenstapt die
daar al die tijd gewoon was. Verlaten, bewaard en uiteindelijk opnieuw tot
leven gekomen, zonder zijn ziel te verliezen.