Posts tonen met het label #Griekenland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label #Griekenland. Alle posts tonen

zondag, augustus 02, 2026

Chora (Naxos), laag voor laag

Sommige bestemmingen lijken op een ui. Je moet ze laag voor laag afpellen voordat je een plaats begrijpt. Chora op Naxos is zo’n plaats.

De eerste laag

Wanneer je met de boot aankomt, zie je eerst de Portara. De grote marmeren poort staat op een klein schiereiland naast de haven en is het boegbeeld van Naxos geworden. Vrijwel iedereen die het eiland binnenvaart, maakt er een foto van. De poort hoorde bij een tempel voor Apollo die nooit is afgemaakt. Dat laatste is eigenlijk het interessantste aspect. Een voltooid gebouw vertelt wat het geworden is. Een onvoltooid gebouw blijft ook vertellen wat het had kunnen worden.

Maar wanneer je eenmaal van de boot bent gestapt, kom je eerst in een heel andere wereld terecht. Langs de boulevard staan restaurants, terrassen, souvenirwinkels en reisbureaus dicht op elkaar. Alles probeert je aandacht te trekken. Het is een grote toeristenkermis die weinig verraadt van wat erachter ligt. Je zou de neiging kunnen krijgen om rechtsomkeert te maken en de eerste de beste boot naar een ander eiland te nemen.

Dat zou jammer zijn.

Verder Chora in

Je moet verder Chora in gaan. Niet alleen rechtdoor lopen, maar ook afslaan waar je niet weet waar je uitkomt. Je moet steegjes in, trappen op en doorgangen onder huizen door. Soms daal je weer af en kom je uit waar je een uur eerder ook al was. Chora laat zich niet in één wandeling begrijpen.

Na de boulevard komt de oude stad. De straten worden smaller en mooier, maar ook steiler. Hoe hoger je klimt, hoe minder mensen je tegenkomt. Veel bezoekers blijven beneden, waar de winkels zijn en waar je zonder veel inspanning weer bij de haven kunt komen. Rust moet je in Chora blijkbaar verdienen door omhoog te lopen.

Toch is ook de oude stad nog maar een laag. De fraaiste steegjes en witte huizen zijn inmiddels net zo goed onderdeel van het beeld dat bezoekers van de Cycladen verwachten. Ze zijn echt, maar worden tegelijkertijd bekeken, gefotografeerd en verhuurd. Het wordt pas werkelijk interessant wanneer je de laag bereikt waar de bewoners leven.

Waar de bewoners leven

Die zie je beter wanneer je zelf een huisje huurt. Veel woningen hebben een kleine verdieping of een huisje op het dak dat aan toeristen wordt verhuurd. Vanaf zo’n dakterras kijk je niet alleen uit over zee en witte kubusvormige huizen. Je kijkt ook neer op binnenplaatsen, keukens, waslijnen en buren die elkaar vanaf hun balkons iets toeroepen. Daar begint een ander Naxos.

In een van de huizen in onze buurt woonde een vrouw die iedere dag tientallen katten te eten gaf. Sommige katten zaten al uren op haar te wachten. Ze wisten precies waar en wanneer ze moesten verschijnen. Daarna kwam de vrouw naar buiten en serveerde ze hun iets wat meer op een driegangendiner leek dan op kattenvoer. De katten schoven aan in groepjes, alsof er een onzichtbare tafelschikking bestond. Het was geen attractie. Juist daardoor bleef ik ernaar kijken.

Een bed en een rolkoffer

Ook achter het drukke St. George Beach wonen mensen tussen de appartementen, hotels en verhuuraccommodaties. Overdag lopen toeristen er met strandtassen, luchtbedden en koffers. Daartussen staat soms ineens een gewoon huis met een openstaande deur. Iedere dag kwamen wij langs zo’n huisje. Binnen lag iemand op een bed, vermoedelijk op sterven. Het bed stond vlak bij de open deur. Het voelde ongemakkelijk om erlangs te lopen, maar wegkijken voelde minstens zo ongemakkelijk. De volgende dag was het bed leeg. Dat beeld bleef bij me. Een paar uur later stond er een rolkoffer naast het bed en liep er een toerist door het huisje. Eerst een mens, daarna een leeg bed en vervolgens een koffer. Het leven van de bewoner en het verblijf van de bezoeker leken elkaar zonder tussenruimte af te wisselen.

Toeristische plaatsen wekken gemakkelijk de indruk dat alles er voor de bezoeker bestaat. De kamer is schoongemaakt, het bed is opgemaakt en de sleutel ligt klaar. Wat eraan voorafging, blijft meestal buiten beeld. Toch hebben die kamers een geschiedenis, zelfs als wij daar niets van weten. Misschien is dat de diepste laag van Chora: het besef dat je tijdelijk verblijft op een plaats waar anderen niet op vakantie zijn.

Op St. George Beach zag ik ook iets wat ik nog nooit eerder had gezien. Er stond een installatie die Seatrac heette. Via een soort rails of kabelsysteem konden mensen met een rolstoel de zee in. Ik heb er lang naar gekeken en kreeg er allerlei merkwaardige visioenen bij. Vooral de vraag hoe iemand daarna weer uit zee kwam, hield me bezig. Helaas heb ik niemand het systeem zien gebruiken, dus ik weet nog steeds niet precies hoe het werkt. De meeste mensen lopen er voorbij, zonder er echt naar te kijken.

Lopen doen de Grieken zelf overigens niet altijd graag. Wij hadden een buurman die iedere ochtend op zijn scooter naar de bakker ging. Die bakker zat letterlijk twee huizen verderop. Tegen de tijd dat hij zijn scooter had gestart en de straat op was gereden, had hij er lopend al kunnen staan. De bakkers op Naxos zijn in ieder geval de moeite waard. Ze zijn overal en verkopen brood, taartjes en allerlei gevulde en ongevulde broodjes waarvan je jezelf iedere ochtend kunt wijsmaken dat je ze nodig hebt voor de wandeling naar boven.

Chora openbaart zich niet in de juiste volgorde. Eerst zie je het monument dat nooit werd voltooid. Daarna de toeristenwereld die geheel op bezoekers lijkt te zijn ingericht. Vervolgens kom je in de oude stad, waar de straten stiller worden. Pas daarna zie je de kattenvrouw, de buurman op zijn scooter, de open deuren en de kamers waarin geleefd, gestorven en opnieuw ingecheckt wordt.

Een bestemming is nooit alleen wat er voor ons wordt klaargezet. Ze bestaat ook uit alles wat gewoon doorgaat wanneer wij weer op de boot stappen. Misschien is reizen niet het verzamelen van zoveel mogelijk mooie plaatsen, maar het langzaam afleren van de gedachte dat een plaats er is omdat wij haar bezoeken.

De Portara staat bij vertrek nog altijd op dezelfde plek. Een poort zonder tempel, die nergens meer naartoe leidt. Of misschien juist wel. Niet naar het Naxos van de reisgidsen, maar naar de lagen die daarachter liggen. Je moet alleen de moeite nemen om erdoorheen te kijken.

zaterdag, juli 25, 2026

Van, naar en tussen de Cycladen: een cultuurshock op 30.000 voet en op zee

Ik ben al op behoorlijk wat Griekse eilanden geweest. Genoeg om te denken dat ik het reispatroon wel doorhad: een vlucht, een veerboot, wat wachten in een taverna, klaar. Maar niets bereidde me voor op de manier waarop je van, naar en binnen de Cycladen reist en vooral niet op hoe anders dat voelde dan al die andere keren.

Transavia naar Mykonos: welkom in een andere wereld

Het begint al aan boord. Het publiek op een Transavia-vlucht naar Mykonos was compleet anders dan wat ik gewend was en het personeel leek er zelfs op ingericht: stewardessen van een zekere, laten we zeggen pensioengerechtigde leeftijd en stewards die stuk voor stuk uit een nerdcasting leken te komen. Vriendelijk, maar kordaat, dat laatste bleek geen overbodige luxe.

Er leken zich geen doorsnee reizigers aan boord te bevinden, die voor de Griekse cultuur naar Griekenland kwamen, maar mensen die vooral naar Mykonos gingen om te zien en gezien te worden. Opgespoten lippen alom, weinig mooie merkkleding, maar des te meer blingbling. Ik had verwacht meer eilandhoppers zoals wijzelf tegen te komen, op weg naar de kleine Cycladen, maar zowel heen als terug leek dat nauwelijks het geval.

Het meest opvallende: zonder uitzondering zat iedereen de hele vlucht naar filmpjes van zichzelf te kijken. Op de terugvlucht zag ik dezelfde types terug en keken ze naar filmpjes in clubs, waar ze ook vooral naar zichzelf leken te kijken en nauwelijks naar iemand anders.

En dan die terugvlucht. Om onduidelijke redenen (besmettelijke ziektes op Mykonos ken ik niet, maar blijkbaar was er reden genoeg) hield het personeel het voorste toilet dicht. Passagiers moesten allemaal naar achteren, terwijl bemanning en piloten wel op het voorste toilet gingen, op een compleet volle vlucht. Vreemd en eerlijk gezegd nogal schandalig. Het spectaculaire hoogtepunt kwam tijdens de landing op Schiphol: terwijl de stewards en stewardessen al vastgesnoerd zaten voor de final approach, vond een van de blingbling-passagiers het nodig om zijn riem los te maken, op te staan en zijn koffertje te grijpen. Het leverde de meest directe zin op die ik ooit door een boordtelefoon heb horen klinken, met een woord erin (sodemieter) dat je normaal niet van een steward hoort.

De boten: chaos met een eigen logica

Was de vlucht al een cultuurshock, de veerboten op de Cycladen zijn nog een klasse apart, zelfs voor Griekse begrippen.

Neem Tourlos, de ferryhaven van Mykonos. Honderden mensen dringen daar door elkaar voor de hekken, veel internationaler dan waar dan ook: Koreanen, massa's Amerikanen, de hele wereld lijkt er samen te komen. Boven dat gekrioel uit klinkt onafgebroken een ritmisch fluitgeluid, afkomstig van de Trochaia, de politieagenten die tussen de hekken en de kade staan waar de boten aanmeren. Het klinkt chaotisch, maar er zit een systeem in: een lange, harde fluit betekent stop, korte snelle fluitjes betekenen doorlopen of doorrijden en een korte fluit betekent "ik zie je". Het probleem is alleen dat vrijwel niemand die code kent, waardoor het weinig bijdraagt aan het beheersen van de wanorde.

Zodra er een boot kan laden, gaat er een hek open en persen honderden passagiers, tientallen auto's en vrachtwagens zich tegelijk naar binnen. Logisch eigenlijk, want vanuit Tourlos vertrekken boten naar alle Cycladische eilanden en zelfs tot aan Athene, met capaciteiten tot 1.600 passagiers per boot.

De boten zelf verschillen enorm. De snelle catamarans lijken eerder op vliegtuigen dan op schepen, compleet met een veiligheidsinstructie die niet zou misstaan in de lucht, plus cafés, restaurants en winkels, kleine cruiseschepen eigenlijk. Compleet anders is de Skopelitis, die tussen Naxos en de kleine Cycladen vaart. Minder mensen aan boord, dat wel, maar ook minder comfort: nauwelijks zitplaatsen, je wordt vaak nat, de stroom valt weleens uit en onze koffer die in het ruim stond leek na afloop wel gebakken te zijn.

Op Chora, Naxos, is de kade een fractie van die in Mykonos, terwijl er alsnog duizenden passagiers in en uit moeten stappen, vaak van meerdere boten tegelijk. Het gekrioel is er zo mogelijk nog erger en de Trochaia fluit dan ook hysterisch en onophoudelijk. Vertrekken is een hele toer: je moet je een weg wringen naar de juiste boot, terwijl volstrekt onduidelijk is welke rij bij welke boot hoort. Er hangen weliswaar bordjes, bedoeld als hulp van de Trochaia, maar die kloppen nooit.

Onze oplossing werd al snel: wachten op de boulevard tot je de boot daadwerkelijk op zee ziet aankomen en pas dan naar het juiste gat tussen de mensenmassa bewegen. Want eenmaal in de verkeerde rij van de wachtruimte beland, kom je er niet meer uit, het hekje gaat pas open als jouw boot er is en van rij wisselen is geen optie.

Wat je moet weten voor je zelf gaat

Zelfs in juni zitten de boten al overvol, dus boek ruim van tevoren online een plek. Op de kleine Cycladen is het gelukkig een stuk rustiger. Eén ding blijft echter een constante op de Cycladen: door de Meltemi, de karakteristieke noordenwind, heb je er bijna nooit rustig vaarwater.

Kortom: reizen van, naar en binnen de Cycladen is een ervaring op zich, nog voordat je op je eiland van bestemming bent aangekomen.

donderdag, juli 16, 2026

Van Telendos naar Schinoussa

Jarenlang kwam ik op Telendos, meerdere keren per jaar. Ik kende alle inwoners, elke steen en zelfs alle honden bij naam. Het eiland was een soort thuis geworden. Ik heb er een hele generatie zien opgroeien en was aanwezig bij bruiloften en begrafenissen. Ook de weinige bezoekers van het eiland kenden elkaar. In de winter bezochten we elkaar in binnen- en buitenland.

Toen Telendos veranderde

Totdat het veranderde. Internet deed zijn intrede en langzaam kwamen er steeds meer bezoekers. De bootjes brachten hen onafgebroken vanaf Kalymnos naar Telendos. De terrassen stroomden vol en de stilte verdween. Tegelijkertijd verdwenen de mensen bij wie het oude Telendos hoorde. Ze werden ouder, stopten met hun taverna of overleden. Met iedere bekende eilandbewoner verdween er een stukje Telendos dat nooit meer terugkwam. Een eiland gaat niet op één dag verloren. Het blijft gewoon op dezelfde plaats liggen. De berg staat er nog, de zee heeft nog dezelfde kleur en vanaf de haven lijkt alles vertrouwd, maar ondertussen verandert het karakter. Wat ooit een leefgemeenschap was waar toevallig ook reizigers kwamen, wordt langzaam een bestemming die vooral voor bezoekers bestaat.

De Duitse filosoof Oswald Spengler beschreef culturen als levende organismen. Volgens hem kennen zij een jeugd, een periode van bloei, een fase van verstarring en uiteindelijk een einde. Ook een Grieks eiland kan groeien, bloeien en vervolgens iets wezenlijks verliezen, doordat het oude ritme wordt vervangen door iets nieuws. Misschien was alleen het Telendos verdwenen waarnaar ik altijd terugkeerde. Voor nieuwe bezoekers was het nog steeds een ontdekking. Voor mij werd het steeds meer een herinnering.

Op zoek naar een nieuw eiland

Daarna bezocht ik vele plaatsen op de wereld en ook vele andere Griekse eilanden, maar ik was niet op zoek naar een nieuw eiland. De geschiedenis die ik met Telendos had, is immers onvervangbaar. Totdat ik op Instagram Sto Chorio zag. Daar dansten een man en een vrouw op een geweldig nummer. Het filmpje had iets magisch. Na een lange zoektocht bleek het nummer Okeanos te heten en het eiland Schinoussa te zijn. En ik voelde dat het goed was.

Schinoussa

Schinoussa, een eiland met een ziel

Nu ik er onlangs ben geweest, kan ik zeggen dat mijn gevoel klopte. Schinoussa is een eiland met een ziel. Een andere, magische wereld. Het eiland is bovendien niet gemakkelijk te bereiken: vanuit Nederland reis je via minstens twee andere eilanden en twee boten, eerst ongeveer een uur varen en daarna nog eens twee uur of met een binnenlandse vlucht en vervolgens een boot. Die omslachtige reis maakt de kans klein dat hier ooit grote drommen toeristen zullen komen. Een eiland zonder toeristen bestaat bijna niet meer, maar Schinoussa is een plaats waar het dagelijks leven nog niet door bezoekers wordt bepaald. Waar de boot, de Skopelitis, geen toeristische attractie is, maar een levenslijn. Waar families nog deel uitmaken van het verhaal van het eiland. De vrouw uit het filmpje, Pothiti, ontmoette ik overigens al op de eerste dag.

Zo kwam ik op Schinoussa terecht. En één ding weet ik zeker: het zal niet de laatste keer zijn. Dit is het begin van mijn verhalen over de Cycladen: over Naxos, Mykonos en Schinoussa, over veerboten, havens, eilandbewoners en het leven op de eilanden.

maandag, mei 18, 2026

Schipper, mag ik overvaren? Ja, want Europa betaalt

Toen wij nog vaak naar Telendos gingen, zagen wij soms vreemde taferelen. Niet alleen op het eiland zelf, maar ook op zee, tussen de eilanden in. Wat we in 2015 zagen, krijgt nu, jaren later, alsnog een staartje.

Telendos is zo’n plek waar je makkelijk vergeet dat de wereld bestaat. Een klein eiland tegenover Kalymnos, met terrassen aan het water, rotsen in de zon en dat typische Griekse gevoel. Maar in 2015 was de wereld daar ineens heel dichtbij. Vanaf een idyllisch terras zagen wij dagelijks open boten voorbijkomen met vluchtelingen. Honderden mensen, meerdere keren per dag. Ze werden van het eiland Leros richting Kalymnos vervoerd. In de haven van Kalymnos was een tentenkamp ingericht. Veel mensen bleven daar niet lang, want de meeste vluchtelingen wilden verder: naar Athene, het vasteland en de rest van Europa.

Het terras was daardoor al snel niet meer idyllisch. Eerst kijk je nog naar zee. Daarna kijk je naar mensen. En dan begint het praten. Zoals dat nu op sociale media gebeurt, gebeurde het toen gewoon aan tafeltjes met ouzo, koffie en Mythos. Binnen de kortste keren was het hele terras verdeeld. De een vond dat vluchtelingen geholpen moesten worden. De ander vond dat het eiland overspoeld werd. Soms leek het alsof wie kritiek had, moreel geen recht meer had om nog op het eiland te komen.

Ook onder eilandbewoners zelf hing spanning. Er werd met afgunst gekeken naar de plaatselijke schippers, die volgens sommigen veel geld verdienden aan het vervoer van vluchtelingen. Of dat werkelijk om enorme bedragen ging, viel voor ons natuurlijk niet te controleren. Op kleine eilanden groeit een verhaal snel uit tot een waarheid. Zeker op eilanden waar vetes, roddel en achterklap soms net zo hard waaien als de Meltemi.

Jaren later duikt nu op sociale media opnieuw zo’n verhaal op. De schippers zouden nu worden aangesproken op hun rol, omdat zij destijds ook mensen zouden hebben vervoerd die later betrokken waren bij terroristische aanslagen in Europa. Vooral de aanslagen in Parijs in 2015 worden daarbij genoemd. Dat maakt zo’n verhaal meteen explosief. Vluchtelingen, Griekenland, Europees geld, terrorisme: alles zit erin. Maar de werkelijkheid is ingewikkelder.

Wat wel vaststaat, is dat Griekenland in die jaren veel Europees geld kreeg voor de opvang en verplaatsing van vluchtelingen en asielzoekers. In Europese overzichten wordt expliciet gesproken over financiering voor onder meer opvang, voeding, gezondheidszorg en vervoer naar het vasteland. Ook klopt het dat enkele daders van de aanslagen in Parijs via Griekenland Europa zijn binnengekomen. Griekse media schreven destijds over mannen die via Leros waren geregistreerd en daarna verder reisden. Proto Thema beschreef bijvoorbeeld hoe twee latere zelfmoordterroristen op 3 oktober 2015 bij Farmakonisi aankwamen, samen met anderen, waarna zij via Leros in het registratiesysteem terechtkwamen en later verder reisden.

Daar houdt de harde zekerheid grotendeels op. Ik heb geen betrouwbare Griekse nieuwsbron gevonden waarin lokale schippers officieel worden beschuldigd, omdat zij terroristen zouden hebben vervoerd. Iemand vervoeren in een chaotische vluchtelingencrisis is niet hetzelfde als weten wie iemand is. Een schipper controleert geen paspoorten. Een eilandbewoner voert geen veiligheidsanalyse uit. En in 2015 was de situatie op de Griekse eilanden vaak zo chaotisch dat zelfs officiële instanties moeite hadden om iedereen goed te registreren.

Wat wij op Telendos zagen, was in ieder geval echt, net als de boten, de mensen, de spanning op het terras en de jaloezie op het eiland. De waarheid van 2015 ligt ergens tussen zee, geld, noodhulp, mensensmokkel, Europees beleid en eilandroddel in. En misschien is dat wel het wrange: op een klein Grieks eiland zag je toen al waar Europa op uit zou draaien. Niet als ideaal, maar als crisis die langzaam langs je terras voer.

 

woensdag, maart 11, 2026

Waarom Griekenland een Fuel Pass heeft en Nederland dure benzine

Er zijn landen waar de overheid ingewikkelde beleidsnota’s schrijft als prijzen stijgen. En er zijn landen waar men gewoon een pasje uitdeelt. Drie keer raden tot welke categorie Nederland behoort. In Griekenland doen ze het anders.

De afgelopen jaren heeft Athene namelijk een opmerkelijk economisch model ontwikkeld: de pass-economie. Het principe is simpel. Wordt iets duurder, dan verschijnt er een nieuwe pass.

Benzine duur? Fuel Pass.
Elektriciteit onbetaalbaar? Power Pass.
Boodschappen rijzen de pan uit? Market Pass.

En als het leven door al die inflatie een beetje somber wordt, is er ook nog de Tourism Pass, zodat je even op een Grieks eiland kunt bijkomen van de economische realiteit. En dat systeem komt goed van pas in tijden waarin geopolitieke spanningen en oorlogen de olieprijs weer opdrijven en de benzineprijs ook in Nederland opnieuw het gesprek van de dag is. De passes werken meestal via een digitale kaart of een bedrag op je bankrekening. Geen ingewikkelde fiscale constructies, geen jarenlange hervormingen. Gewoon een bedrag dat ineens opduikt met de boodschap: ga maar even tanken of een weekendje weg. Economen noemen het soms een noodmaatregel. Cynici noemen het een politieke truc. Maar burgers merken het meteen. Inflatie is ineens een stuk draaglijker wanneer er honderd euro op je rekening verschijnt.

Het ironische is dat Griekenland dit systeem heeft ontwikkeld terwijl het land jarenlang juist het toonbeeld was van Europese schuldenproblematiek. Tijdens de eurocrisis gold Griekenland als het waarschuwende voorbeeld van ontspoorde staatsfinanciën en zware bezuinigingen. Vanuit Brussel en de Europese instellingen kreeg Athene daarna juist extreem strenge begrotingsregels opgelegd. Structurele uitgaven verhogen is daardoor lastig. Tijdelijke passen zijn dan ideaal: ze verzachten de pijn even, zonder dat de overheid de begroting permanent hoeft te veranderen.

Nederland heeft daarentegen een andere traditie. Hier lossen we problemen op met beleid. Veel beleid. Als energie duur wordt, schrijven we bijvoorbeeld een Klimaatakkoord. Vervolgens komen er maatregelen, subsidies, belastingen, transitieplannen en routekaarten richting 2050. Dat is allemaal heel verstandig en vooruitziend. Alleen heeft het één klein nadeel: ondertussen moet iemand de energierekening wel betalen. Neem de energietransitie onder leiding van Rob Jetten. Het idee is helder: energie moet duurder worden zodat we sneller overstappen op duurzame alternatieven. Dat heet een prijsprikkel. Economen vinden dat prachtig. Burgers merken vooral de prijs. In de Griekse pass-economie zou dat ongeveer zo gaan: energie duur? Dan komt er een Energy Pass. In Nederland verschijnt er eerder een Kamerbrief.

Het contrast wordt nog interessanter wanneer je naar defensie kijkt. Nederland verhoogt nu zijn militaire uitgaven richting de NAVO-norm van 2 procent van het bbp. Dat kost miljarden. Politiek is daar vrij brede steun voor. Maar voor burgers betekent het ook dat er ergens in de begroting ruimte moet worden gevonden. Griekenland geeft overigens al jaren meer dan 2 procent van zijn bbp uit aan defensie, vooral vanwege de spanningen met Turkije. En toch lukt het Athene ondertussen om benzine-passen, stroom-passen en boodschappen-passen uit te delen.

Dat is misschien wel het geheim van de pass-economie. Ze lost niet alles op, maar ze heeft één groot voordeel: het voelt concreet. Een pass is geen strategie, geen visie en geen transitiepad. Het is gewoon een digitale kaart waarop ineens geld staat. En dat maakt het voor burgers vaak een stuk begrijpelijker dan beleid. Want uiteindelijk blijft er voor burgers maar één simpele economische vraag over: krijg je een pass of krijg je een prijsprikkel?

zaterdag, februari 14, 2026

Van Buenos Aires tot Griekenland: wat Maxima allang wist

Griekenland is een fantastisch land. Ik kom er al jaren. Toch is er één ding waar ik maar niet aan kan wennen, het bakje naast het toilet voor het wc-papier. Voor wie het niet weet: in veel delen van Griekenland mag wc-papier niet door het toilet worden gespoeld vanwege de smalle riolering. Dus gaat het gebruikte papier in een prullenbakje ernaast.

Onlangs keek ik oude afleveringen terug van B&B zoekt Lief, de Belgische variant van B&B Vol Liefde. Daar zag ik Karin in Buenos Aires met hetzelfde probleem worstelen. De heren die zij op bezoek kreeg, bleken niet allemaal enthousiast over het emmertje naast het toilet.

Zeg je Buenos Aires, dan denk je natuurlijk aan Maxima. Hoe was dat toen zij voor het eerst op bezoek kwam op De Eikenhors? Bij Karin zagen we dat ook in Argentinie het wc-papier niet altijd door het toilet kan worden gespoeld. Stel je voor dat je net in een koninklijke relatie bent beland en in de badkamer alleen een open prullenbak aantreft op het toilet. Romantiek krijgt ineens een heel praktische dimensie. En hoe zou dat nu zijn in Kranidi, in hun villa in Griekenland? Doet zij daar weer braaf mee aan de lokale gewoonte of hebben ze daar een riolering die wel alles aankan?

Tijdens de coronacrisis troffen wij op Corfu een nog ernstiger scenario aan. In ons appartement hadden we  een toilet dat niet doortrok. Bij elke poging om door te spoelen kwamen er kilo’s wc-papier weer omhoog. Op tafel lag een brief: alle reparatiekosten zijn voor eigen rekening. En vanwege corona kon er geen monteur komen zolang je er logeerde. Waarschijnlijk was dat de reden dat niemand het had gemeld. Er hing bovendien een briefje in de badkamer dat wc-papier in het bakje moest. Wat te doen? De enige optie was: zelf ingrijpen. Het enige gereedschap dat wij konden vinden voor deze missie was een soeplepel uit de keuken. Ik heb zelden zo intens nagedacht over hygiëne en verantwoordelijkheid.

En dan nog iets: ze legen die bakjes niet altijd even consequent. Je komt je kamer binnen en daar ligt het bespeurde papier van een vorige bezoeker nog rustig te stinken. Eén keer klaagde ik daarover. Even later verscheen de kokkin des huizes boven met een grote vuilniszak. Met blote handen pakte ze de inhoud uit het bakje en gooide die in de zak. Met een tevreden “ziezo” nam ze afscheid. Tijdens het eten dacht ik nog regelmatig aan dat moment. Zou ze haar handen goed hebben gewassen? Zou er ontsmettingsmiddel aan te pas zijn gekomen?

Misschien is dit wel de echte inburgeringstest van de mediterrane liefde: niet of je ouzo kunt drinken of Grieks kunt praten, maar of je zonder morren het bakje naast het toilet accepteert. Zelfs iemand die haar weg vond in een nieuw land, een nieuwe taal en een koninklijk leven heeft ooit last gehad van deze kleine ongemakken. Dan kan ik dat ook. Liefde voor een land zit soms niet in grootse gebaren, maar in het stilzwijgend omarmen van zijn eigenaardigheden. Soms zelfs in een prullenbakje naast het toilet.

 

vrijdag, januari 30, 2026

Ammouliani: een kattenhel waar niemand welkom is

Ammouliani, het kleine eiland tegenover Ouranoupolis aan de rand van Athos (Chalkidiki), maakte op mij geen mooie indruk. Het was kaal, rommelig, onaf. Zelfs de weg ernaartoe bevestigde dat gevoel. De boot die je naar het eiland brengt, is eenvoudig, zo’n boot waarbij je het gevoel krijgt dat je zelf matroos bent. Vanaf Tripiti, een kale aanlegplek waar niets is behalve asfalt en een gammele taverna, vaar je in ongeveer tien minuten naar de overkant. Geen havenstad, geen dorp, geen welkom. Je staat daar te wachten in de hitte, tussen beton en leegte, alsof je per ongeluk op de verkeerde plek bent beland. Dat gevoel verdween niet bij aankomst.

Eeuwenlang was Ammouliani bezit van het klooster Vatopedi. Het eiland diende als landbouwgebied. In 1925 veranderde dat abrupt. Het eiland werd afgestaan aan de Griekse staat en toegewezen aan orthodoxe vluchtelingen uit Klein-Azië (Turkije). Mensen die alles waren kwijtgeraakt, moesten hier opnieuw beginnen, op een plek zonder voorzieningen. Die geschiedenis van ontworteling en improvisatie is nooit echt verdwenen; ze zit nog altijd in de structuur van het eiland. Vandaag wonen er ongeveer vijfhonderd tot zeshonderd mensen permanent op Ammouliani. In de zomer groeit dat aantal door toeristen en dagjesmensen.

Wat me al snel bevreemdde, was een ervaring in de plaatselijke kerk. In Griekenland ben ik gewend dat je een kerkdienst altijd kunt binnenlopen. Je komt wanneer je wilt, steekt een kaarsje aan, schuift ergens aan. Je bent welkom. Op Ammouliani gebeurde het tegenovergestelde. We liepen een kerk binnen terwijl er een dienst gaande was en alle hoofden draaiden tegelijk onze kant op. De blikken waren vijandig, gesloten. Het was druk en de deuropening werd letterlijk geblokkeerd door mensen die geen centimeter opzij gingen. We stonden daar, zichtbaar ongewenst. Het voelde als een vijandige, gesloten gemeenschap, iets wat ik nooit eerder heb meegemaakt in Griekenland.

Wat zich in de kerk aftekende, bleek geen losstaand moment. In Griekenland zijn overal zwerfkatten. Meestal hebben ze het niet heel goed, maar ook niet uitzichtloos. Wat ik op Ammouliani zag, was echter geen idyllische kattenkolonie en ook geen tijdelijk probleem. Het was een kattenhel. Ziekte, honger en misvormingen waren geen uitzonderingen, maar onderdeel van het straatbeeld. Katten met ontstoken ogen, vergroeide lichamen, dieren die nauwelijks konden lopen of eten. Het was schokkend. Ik probeerde een van hen een kattensnoepje te geven. Het dier stikte bijna. Niet uit gulzigheid, maar omdat het nauwelijks nog een slokdarm leek te hebben. Dat moment staat in mijn geheugen gegrift. Dit was systemisch lijden. Het deed me vermoeden dat er meer speelde dan alleen verwaarlozing. Op eilanden wordt vaak rattengif gebruikt tegen ongedierte en katten worden daar onbedoeld (of bedoeld?) slachtoffer van. Dat zou kunnen verklaren waarom de katten er op Ammouliani zo gruwelijk aan toe waren.

Tegen die achtergrond kreeg ook die kerkervaring betekenis. De gesloten houding, het blokkeren van de deur, het niet-wijken voor iemand die binnen wil komen. Ik begon me af te vragen of het hier niet alleen ging om katten, maar om een bredere houding tegenover wat lastig is, wat zorg vraagt, wat niet in het gewenste beeld past. Wie te veel is. Wie niet welkom is. Ik heb daar geen sluitend antwoord op.

Juist daarom viel één plek mij in het bijzonder op. Direct naast de aanlegplaats van de veerboot, bij het eerste restaurant aan de kade, liepen twee katten rond. Gezond, rustig, goed verzorgd. Ze hoorden bij het terras, bij de (vriendelijke) mensen. Het contrast met de rest van het eiland had niet groter kunnen zijn. 

Ammouliani is voor mij geen vakantie-eiland geworden en ook geen plek waar ik graag naar terug zou gaan. Het is een plek waar lagen over elkaar heen liggen: een monastiek verleden, een vluchtelingenverleden, een kleine vaste (vijandige) gemeenschap, seizoensgebonden toerisme en een schrijnend kattenprobleem. De katten zijn daarin geen detail, maar een symptoom.

Wat Ammouliani nodig heeft, is een stukje medemenselijkheid en vooral dierenartsen. Daar hoort ook iets fundamentelers bij: stoppen met het gebruik van rattengif of andere middelen die katten langzaam en onzichtbaar vergiftigen en het besef dat deze katten geen overlast vormen, maar levende wezens zijn die lijden. Zolang vergiftiging wordt getolereerd en weggekeken van de zielige hoopjes ellende die je in elke straat tegenkomt, blijven misvormingen en sterfte onderdeel van het straatbeeld. 

Op het dorpsplein staat in grote letters “I am Ammouliani”, bedoeld om je even onderdeel te laten voelen van deze plek. Maar na wat ik hier heb gezien, kan ik dat niet zeggen. Ik bén Ammouliani niet en wil het ook niet zijn. 


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.

dinsdag, januari 20, 2026

Hoe slecht is onze topografische kennis eigenlijk? Zelfs TUI raakt de weg kwijt in Griekenland

Het is niet best gesteld met de topografische kennis van jongeren in Nederland. Uit een onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs in 2022-2023 blijkt dat er sprake is van een middelgrote tot grote daling in de topografische kennis. Dat is op zich al zorgelijk, maar het wordt pas echt spannend als zo iemand later bij TUI gaat werken. 

Een van deze leerlingen, waarschijnlijk die met de grote daling in kennis, kreeg bij TUI de opdracht om de Griekenlandvakanties samen te stellen en op de TUI-website te plaatsen. Het gevolg is dat als je naar Panormos op Kalymnos wilt, je naar Heraklion (Kreta) vliegt. Dat is maar liefst 535 kilometer en 17 uur varen op een veerboot verder. Gelukkig kun je een transfer bijboeken.Wie bij TUI boekt, krijgt er soms gratis een cursus eilandhoppen bij. Vakantiegevoel gegarandeerd, maar niet helemaal volgens plan.

Toevallig ben ik vaak op Kalymnos geweest en dan vlieg je naar Kos, dat praktich om de hoek ligt. Toch is de verwarring bij de TUI-medewerker een klein beetje te begrijpen. Het gaat hier om Kastelli Studios en Apartments in Panormos. En ja, Panormos en Kastelli bestaan allebei zowel op Kalymnos als op Kreta. Dat gebeurt in Griekenland voortdurend. Kijk maar eens hoeveel eilanden een plaats hebben die Chora heet. Niet zo vreemd, want Chora betekent simpelweg ‘dorp’.

Als je vakanties samenstelt voor duizenden reizigers, mag je hopen dat iemand even op de kaart kijkt. Moraal van het verhaal: vertrouw niet blind op TUI, maar check altijd of je accommodatie echt op het eiland ligt waar je heen wilt. Anders begint je Griekse eilanddroom heel avontuurlijk… op het verkeerde eiland.



maandag, december 08, 2025

De Griekse ziel

Waar ik ook kom in Griekenland, al is het eiland nog zo klein en legt de ferry er maar één keer per week aan, ze is er: de vrouw die niet op vakantie is, maar “thuiskomt”. Ze komt met de eerste ferry in mei, groet de dorpskatten alsof het familie is en neemt plaats op een terras met blauwe stoeltjes. Voor haar staat een frappé, niet om te drinken, maar om erbij te horen. Urenlang zit ze daar, rustig glimlachend, terwijl het ijs in haar glas smelt. Ze zegt niet dat ze van Griekenland houdt, ze is Griekenland. Ze zegt dat ze een Griekse ziel heeft.

De meeste van deze (bijna altijd Nederlandse) vrouwen zijn van middelbare of oudere leeftijd. Niet toevallig. De Griekse ziel openbaart zich meestal wanneer de hectiek is uitgewoed, de kinderen volwassen zijn of het gezin nooit meer komt, de spiegels strenger en de dagen rustiger. In dat niemandsland tussen nog en niet meer, vinden ze in Griekenland een nieuw begin. Het zonlicht maakt alles zachter. Ze vindt er rust, warmte, vrienden op de terrassen, een glimlach van de ober, een oude vrouw die haar groet. De zee lijkt haar te roepen, de wind door de cipressen klinkt als herkenning. Het eiland voelt als een tweede geboorte, alsof ze eindelijk is thuisgekomen.

Sommigen gaan nog verder. Ze geloven niet alleen dat ze zich thuis voelen, maar dat ze teruggekeerd zijn. Ik heb er ontmoet die overtuigd waren dat ze in een vorig leven Grieks waren, soms zelfs op dat specifieke eiland, in dat dorp. Reïncarnatie als reisdocument. Ze spreken het met heilige ernst uit, alsof Aphrodite zelf hen uit het schuim heeft opgeroepen. Vanzelfsprekend weten ze alles beter over het eiland en claimen ze het alleenrecht. 

Ze zijn makkelijk te herkennen. Hun jurken zijn luchtig, flodderig en van linnen of katoen. Op hun hoofd een grote hoed van riet of stof met brede randen, meer bescherming dan modeaccessoire. Aan hun voeten sandalen die ooit bruin waren, nu grijs van het stof. In hun tas zit water, zonnebrand en de Happinez. Ze bewegen traag, glimlachend, alsof elke stap betekenis heeft. Vaak zijn ze vegetarisch of veganistisch, praten ze zacht, ademen ze diep en vermijden ze ruzie, vlees en lawaai. Ze drinken geen ouzo of wijn, maar groene thee of matcha (die ze meestal niet hebben in een Griekse taverna), vloeibare zuiverheid die, in hun ogen, beter past bij de hogere trilling van hun Griekse ziel. Alles aan hen is gecontroleerd, bedacht, beheerst, alsof ze de chaos van hun vorige leven hebben afgeschud.

Het is een serene levenshouding die ze toeschrijven aan hun “Griekse ziel”, terwijl ze juist alles belichamen wat de echte Griek niet is. Want wie ooit een dorpsdiscussie of erger in Griekenland heeft meegemaakt, weet: in Griekenland praat niemand zacht. Het land schreeuwt, lacht, vloekt en leeft. En de ironie is dat de Griekse ziel dat meestal niet verstaat, letterlijk niet. Grieks leren ze zelden. Daardoor ontgaat hen wat de mensen in de steegjes naar elkaar roepen en vooral hoe vaak daar het woord malaka in voorkomt.

Wat me telkens weer treft: de Griekse ziel ziet geen schaduw. Ze romantiseert alles. Waar anderen iets zouden zeggen over dorpsveten, dronkenschap, corruptie, afval of de moeizame kanten van het eilandleven, ziet zij enkel zon, zee en ziel. Zelfs als de buurman zijn broer met een gebroken Ouzofles achterna zit of er iemand bijna wordt gestenigd, glimlacht ze: “het hoort bij het temperament”. De kerkklok luidt, een geit blaat, het Griekse leven blijft heilig.

De Grieken zelf kijken er met stille beleefdheid naar. Ze weten: die vrouw hoort erbij zolang het warm is. Ze glimlachen vriendelijk, noemen haar “file mou”, mijn vriendin, maar weten dat ze in de herfst weer verdwijnt. Wat voor haar een wedergeboorte is, is voor hen een seizoen. Vaak kunnen ze niet wachten tot dat seizoen afgelopen is. 

De Amerikaanse jurist en cultuurwetenschapper Susan Scafidi schreef in haar boek Who Owns Culture? (2005) dat culturele toe-eigening vaak niet begint bij kwade bedoelingen, maar bij verlangen, het verlangen om dichter bij iets te zijn dat je bewondert, maar dat niet van jou is. Dat verlangen drijft waarschijnlijk ook deze vrouwen. Ze nemen niets letterlijk over, ze stappen even uit hun huidige geschiedenis, voelen zich daar goed bij en geloven dat het hun reïncarnatie is. Misschien is het geen kwaadwillende vorm van toe-eigening, eerder een reis waar ze nooit aankomen. Elk jaar keren ze terug, dezelfde route, dezelfde kamer, dezelfde begroeting. Alsof herhaling heilig maakt. Ze wassen zich symbolisch schoon in de zee, alsof elke duik een doop is, een poging om opnieuw geboren te worden,  Grieks, dit keer. 

Wrang genoeg hebben juist deze vrouwen vaak de mond vol van “culturele toe-eigening”. Ze spreken erover met afkeuring, zonder te beseffen dat ze zelf midden in hun eigen, zachtaardige vorm ervan leven. Zij noemen het geen toe-eigening, maar herinnering: ze geloven dat ze teruggekeerd zijn, niet dat ze iets overnemen. Voor hen is het geen projectie, maar bewijs van reïncarnatie.

Ik houd van het land, de mensen, de taal, maar ik wil er niet in verdwijnen. Er is een verschil tussen iets bewonderen en erin oplossen. Misschien omdat ik te veel zie: de barsten in de muren, de douche die niet hangt, de emmers met wc-papier, de slechte bedden en de ruzies en vechtpartijen, het leven dat niet past bij de ansichtkaarten (die ze daar nog verkopen en zelfs die hebben al vervaagde kleuren en omgekrulde randen).

De Griekse ziel, zo lijkt het, is een spiegel van verlangen. Ze weerspiegelt wat ze kwijt is geraakt en hoopt terug te vinden. Misschien komt ze daarom elk jaar terug, niet om Griekenland te vinden, maar een verloren stukje van zichzelf. Zoals Odysseus die telkens weer uitvaart, niet om nieuw land te ontdekken, maar om eindelijk thuis te komen, in een Ithaka dat alleen nog in zijn herinnering bestaat. Ithaka is niet zomaar een eiland; het staat symbool voor het einddoel, het persoonlijke doel, het verlangen naar het vertrouwde en het ware zelf, zoals in het beroemde gedicht Ithaka. De Griekse ziel is geen bestemming, maar een tocht, een eindeloze Odyssee van verlangen, waarin het thuiskomen allang is vervangen door het blijven zoeken. Misschien is ze daarom als een kapotte spiegel: ze weerkaatst geen werkelijkheid, maar alleen hoop.


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.


woensdag, juni 20, 2018

Afytos - Chalkidiki

Afytos ligt op 83 kilometer van Thessaloniki en wordt wel beschouwd als een van de mooiste plaatsen van Chalkidiki. Het is gebouwd op een steile rots met beneden twee baaitjes. Langs de rand van het dorp loopt een promenade op 75 meter hoogte, waar vandaan je een prachtig uitzicht hebt op Sithonia. Afytos wordt vanwege de hoge boulevard, ook wel het balkon van Chalkidiki genoemd.


En tot zover de reisgids. In werkelijkheid is Afytos best wel een toeristenfuik, waar je in de zomer over de hoofden kunt lopen. Nu is het nog een lieflijk plaatsje, waar het vrij rustig is. Tenminste als je de juiste plekjes weet te vinden. En dat plekje is niet op het balkon. Het uitzicht is er weliswaar prachtig, maar de restaurants die er zitten zijn een bezoek niet waard. Natuurlijk is het zoals overal ter wereld, als je zaak toch vol zit met toeristen, waar zou je dan je best voor doen?
Wij hebben in het centrum van Afytos best wel wat leuke restaurantjes gevonden. Onze favoriet was To Steki, hier hebben ze heerlijke gevulde squid en het restaurant is rustig en koel door de grote ventilatoren die er hangen. En ze hangen stevig, wat in restaurant Christos wel anders is, hier hangen de ventilatoren levensgevaarlijk aan nog slechts een draadje te bungelen boven de hoofden van nietsvermoedende gasten. Tevens staat daar een sinaasappelboom, waar om de haverklap iets uitvalt. De beste reden echter om Christos te vermijden is dat daar een serveerster werkt die de dochter is van de eigenaresse van de Grote Griek in Dordrecht. Haar mond staat geen seconde stil en als ze eenmaal doorhebt dat je uit Nederland komt, is ze zo blij dat ze al haar kromme zinnen niet aflatend over je uitstort. Als je als Nederlander echter verlegen zit om een praatje, dan is dit the place to be (doe wel een bouwhelm op).


Voor de rest is Afytos een aaneenschakeling van toeristische winkeltjes, die nog niet weten dat iedereen tegenwoordig een strak huis wil, zonder al die rommel die zij verkopen of eigenlijk natuurlijk, niet verkopen. Ook is er nog een folkloremuseum, waarvan niemand weet of het ooit nog opengaat. De Agios Dimitrios kerk is aardig, maar we hebben al mooiere gezien. Kortom Afytos is een leuk plaatsje, maar ook niet meer dan dat.