zaterdag, september 19, 2026

Schinoussa: waar de wereld even ophoudt

Een eiland dat begon met een filmpje

Weinig bestemmingen hebben me zo verrast als Schinoussa. Misschien juist omdat ik er nauwelijks iets van verwachtte. We kozen het eiland op een ongebruikelijke manier: niet vanwege een lijst met bezienswaardigheden, een beroemd strand of een aanbeveling in een reisgids, maar vanwege een filmpje.

Daarin zag ik Pothiti dansen met haar man. Er klonk muziek die me onmiddellijk raakte. Maar het was niet alleen de muziek. Het was haar lach: open en ongekunsteld, alsof er op dat moment niets bestond buiten die kamer, die man en die dans. Het huis zag eruit zoals ik in Griekenland vaker huizen van oudere mensen heb gezien. Gewoon, vertrouwd, zonder iets dat bedoeld leek om indruk te maken. En toch riep juist dat beeld bij mij een vreemd verlangen op. Ik wilde weten wat er buiten dat huis lag en wat voor wereld bij deze mensen hoorde, bij deze muziek en bij die lach. Die wereld bleek Schinoussa te zijn.

Pas later ontdekte ik welk nummer er in het filmpje klonk: Okeanos van Lefteris Vazaios, een zanger van het nabijgelegen Amorgos. De melodie klinkt bijna uitbundig, maar het lied zelf is dat allerminst. Het gaat over een liefde die zo onbereikbaar is dat de zanger liever in zee verdrinkt dan zonder haar verder te leven. Misschien begon Schinoussa daar voor mij al, in die vreemde combinatie van lichtheid en melancholie: dansen terwijl het lied over verlies gaat en lachen terwijl verdriet nooit ver weg is. Het leven niet mooier maken dan het is, maar er toch op dansen.

Pothiti

Op onze eerste dag ontmoetten we Pothiti. Ze zat buiten voor haar huis en bleek in werkelijkheid precies die warmte te hebben die ik in het filmpje had gezien. Ik vertelde haar dat wij mede door dat filmpje op Schinoussa waren beland. Ze moest lachen en vertelde dat we bepaald niet de eersten waren; reizigers spreken haar er vaker op aan.

Haar man was inmiddels overleden en daardoor kreeg het vrolijke filmpje ineens een andere betekenis. De man met wie ze daar danste, bestond nu alleen nog in haar herinneringen en in beelden die onbekende mensen ergens op internet bekijken. Ze vertelde hoeveel verdriet zijn dood haar had gedaan. Daarna bood ze ons een glaasje raki aan en bleven we een tijdje bij haar zitten. Het voelde bijna onwerkelijk dat iemand die eerst alleen een beeld op een scherm was geweest, nu naast ons zat. Het eiland dat voor mij begonnen was als een vaag vermoeden, kreeg daardoor ineens een gezicht.

Achterblijven als de boot vertrekt

Je komt niet toevallig op Schinoussa terecht. Je moet er moeite voor doen. Er is geen vliegveld en geen rechtstreekse verbinding vanuit Nederland. Je reist naar een ander eiland, wacht op een boot en vaart verder de Kleine Cycladen in. Sommige plekken worden juist anders doordat ze niet onmiddellijk bereikbaar zijn. De reis haalt langzaam de snelheid uit je. Wij gingen van het vreselijk drukke Mykonos, naar het al iets minder drukke Naxos en dan naar het paradijs Schinoussa.

Wanneer je in de kleine haven van Mersini van boord stapt, is er even bedrijvigheid. Mensen komen gasten ophalen, bagage wordt ingeladen en auto's rijden af en aan. Maar zodra de boot zijn klep weer optrekt en wegvaart, wordt het stil en ontstaat een merkwaardig gevoel: alsof de rest van de wereld zojuist weer is vertrokken en jij bent achtergebleven. Niet werkelijk verlaten, want natuurlijk is Schinoussa geen onbewoond eiland, maar eerder even losgemaakt van de wereld waaruit je kwam.

Er zijn toeristen en ja, ook Nederlanders. Er zijn goede restaurants, prachtige accommodaties en een paar leuke winkels. Wij logeerden bij Paralos Lodging van Yiannis en Alexandra, met een schitterend uitzicht. Ze hebben er zelfs een boekhandel, de enige op het eiland. En toch voelt Schinoussa anders. Het deed me vreemd genoeg soms aan Bergen op Zoom denken. Niet omdat beide plaatsen op elkaar lijken, dat doen ze in geen enkel opzicht, maar omdat ze bewijzen dat geografie niet voldoende is om een plek te verklaren. Je kunt binnen hetzelfde land een grens oversteken die op geen enkele kaart staat. De taal blijft dezelfde, het klimaat verandert nauwelijks en toch verandert de sfeer volledig. Een plek heeft blijkbaar ook een innerlijk landschap.

Wegen die nergens anders heen hoeven

Op Schinoussa zie je dat bijna letterlijk terug in de wegen. Vanuit Chora lopen verschillende wegen het eiland in, vaak onverhard. Het eigenaardige is dat ze niet met elkaar verbonden zijn. Een weg brengt je naar een strand, een nederzetting of een uithoek van het eiland, maar wie daarna ergens anders heen wil, moet eerst vrijwel helemaal terug. In het begin vond ik dat onpraktisch, maar later vond ik het juist bij Schinoussa passen. Wij zijn gewend dat alles verbonden moet zijn: wegen, netwerken, bestemmingen en mensen. Een route hoort efficiënt van A naar B naar C te lopen. Schinoussa dwingt je echter regelmatig terug naar het beginpunt. Niet iedere weg leidt vanzelf naar de volgende. Soms brengt een weg je alleen naar één plek, kijk je daar rond en blijf je er een tijdje, waarna je weer teruggaat.

Muziek, dans en traditie

Tijdens het favafestival merkte ik hoe sterk tradities hier nog aanwezig zijn. Overdag wordt zichtbaar gemaakt hoe fava wordt geteeld en verwerkt, maar de muziek loopt overal tussendoor en uiteindelijk neemt die muziek het over.

In de avond wordt er urenlang gedanst. Jongeren dansten op traditionele muziek op een manier die opvallend vanzelfsprekend leek. Terwijl ik ernaar keek, moest ik denken aan oude rituelen waarin jonge mannen en vrouwen elkaar tijdens feesten ontmoetten, bekeken en misschien kozen. Mensen veranderen, kleding verandert en de muziek komt tegenwoordig uit enorme boxen die door de straten schallen, maar bepaalde menselijke rituelen lijken eeuwen te overbruggen. Elkaar zien, samen eten, muziek maken, dansen, verliefd worden en afscheid nemen zijn misschien uiteindelijk een verrassend klein aantal thema's waaruit onze levens steeds opnieuw worden opgebouwd.

Vriendelijkheid zonder toneelstuk

Ook de mensen op Schinoussa droegen bij aan het bijzondere gevoel dat ik er kreeg. Hun vriendelijkheid voelde weinig aangezet. Op sommige toeristische plekken wordt gastvrijheid bijna een toneelstuk: waar kom je vandaan, hoe gaat het, prachtig Nederland, en ondertussen weet je dat je vooral een wandelende portemonnee bent. Op Schinoussa leken mensen daar veel minder woorden aan vuil te maken.

Op een bloedhete dag liepen we zwetend een heuvel op toen een man in een pick-up stopte. Geen uitgebreid gesprek en geen gedoe. Hij zag twee mensen die het warm hadden en gaf ons gewoon een lift. Oprechte vriendelijkheid is zo eenvoudig.

Dat betekent niet dat Schinoussa een eiland buiten de moderne wereld is. Je kunt er uitstekend eten en bijzonder mooi overnachten. Het eiland hoeft zijn eenvoud niet te bewijzen door ongemakkelijk te zijn. Misschien is dat juist een van zijn aantrekkelijkste kanten: het eiland combineert afzondering met kwaliteit zonder zijn eigen karakter volledig aan het toerisme uit te leveren.

Het Schinoussa-gevoel

Wat me uiteindelijk het meest is bijgebleven, is moeilijk in een reisgids te zetten. Het zit in de stoffige wegen die niet altijd naar een volgende bestemming leiden, in de muziek die door Chora klinkt, in jonge mensen die dansen alsof die dans al veel ouder is dan zijzelf, in een man met een pick-up die stopt, omdat twee onbekenden het warm hebben en in een weduwe die voor haar huis raki inschenkt voor reizigers die haar herkennen uit een filmpje waarop haar overleden man nog naast haar danst. En altijd is daar de zee, soms als grens en soms juist als verbinding met de wereld daarbuiten.

Misschien is dat voor mij uiteindelijk het Schinoussa-gevoel geworden: het besef dat schoonheid en verdriet geen tegenpolen zijn en dat juist de vergankelijkheid van dingen ze betekenis kan geven. Een dans wordt kostbaar, omdat hij eindigt. En een ontmoeting, omdat je weet dat je uiteindelijk weer afscheid neemt. Op Schinoussa lijkt niets zich erg druk te maken over de vraag wat daarna komt. Niet iedere weg hoeft ergens anders heen te leiden en niet ieder moment hoeft een opmaat naar het volgende te zijn. Soms is ergens zijn voldoende.

Misschien is dat ook waarom ik terug naar Schinoussa wil. Niet omdat ik er nog een lijst met dingen moet afwerken die ik niet heb gezien, maar juist omdat ik dat gevoel opnieuw wil ervaren: dat vreemde mengsel van rust en verwachting, eenvoud en diepte, lichtheid en melancholie. Er zijn plaatsen waar je vooral belevenissen aan overhoudt, maar er zijn ook plaatsen die een gevoel in je achterlaten dat je later opnieuw wilt opzoeken. Voor mij is Schinoussa zo'n plek. Ik wil er weer aankomen, de vertraging opnieuw voelen en ontdekken of dat bijzondere gevoel er nog steeds is.


donderdag, augustus 13, 2026

Sfeereclipsen

Heel Nederland leek op 12 augustus even last te hebben van eclipskoorts. Op verschillende plekken verzamelden zich honderden mensen met eclipsbrillen om de gedeeltelijke zonsverduistering te bekijken. Er stonden zelfs files. Ook wij wilden de eclips meemaken, maar niet door op zoek te gaan naar een plek waar we de zon konden zien. We bleven bewust op ons eigen terras, waar de zon achter de bebouwing uit zicht bleef. Niet kijken naar de eclips, maar ervaren wat er tijdens een eclips gebeurt. We gingen sfeereclipsen.

Twee Boeddha's als ijkpunt

Op ons terras aan het water staan twee Boeddha's. Ze staan er altijd, dus ze waren bij uitstek geschikt als vast ijkpunt. Vlak voordat de eclips begon, maakte ik de eerste foto. Daarna fotografeerde ik ze regelmatig opnieuw, steeds ongeveer vanuit dezelfde positie. Het plan was eenvoudig: verandert het licht werkelijk zo sterk dat je het terugziet op een plek die je iedere dag ziet?

Om 19.16 uur begon de maan voor de zon te schuiven. In het begin gebeurde er weinig spectaculairs. De lucht was blauw, de zon scheen en de vogels deden wat vogels op een zomeravond altijd doen. Maar langzaam veranderde er iets.

Een ander soort donker

Het eerste wat opviel, was het licht. De warme gloed verdween steeds verder uit de omgeving. Het groen werd matter, het water verloor zijn glans en de vlonder en de Boeddha's kregen een zachter, grijzer licht.

Op de foto's is dat te zien, maar in werkelijkheid was het verschil groter. Mijn telefoon deed namelijk precies waarvoor hij gemaakt is: zodra het donkerder werd, probeerde hij dat te compenseren. Op het scherm zag de wereld er daardoor lichter uit dan voor onze ogen. Dat was een onverwacht onderdeel van het sfeereclipsen: de camera beleefde een andere eclips dan wij.

Ook de wind nam toe. We luisterden naar de vogels. Op een gegeven moment leek het even alsof ze stil waren geworden. Zou dit dan de beroemde schemerstilte zijn? Nee, even later hoorden we ze alweer en zelfs rond het hoogtepunt van de eclips waren de vogels nog gewoon te horen. De natuur hield zich niet aan ons zorgvuldig bedachte eclipsdraaiboek.

De hemel werd zachter

Het vreemdste gebeurde boven ons. De omgeving werd steeds donkerder, maar de hemel gedroeg zich niet zoals bij een gewone zonsondergang. Die bleef opvallend licht en blauw. Alleen veranderde het blauw. Het werd minder fel, minder hard. De hemel werd zachter. Dat contrast was misschien wel het bijzonderste van de hele ervaring: donkere bomen en een donkere omgeving onder een hemel die nog altijd lichtblauw was. Het voelde niet als avond en ook niet als dag. Er leek even een soort tussentijd te ontstaan.

Om 20.10 uur bereikte de eclips bij ons zijn hoogtepunt. Er viel een vreemde kalmte over de omgeving. Niet omdat alles plotseling stil was – de vogels waren nog steeds te horen – maar de wereld leek even tot rust te komen. Het licht was zachter, de omgeving donkerder en boven ons bleef die lichte blauwe hemel. Het was geen gewone avondschemering. Alles was er nog, maar het voelde even anders. We konden de verduisterde zon nog steeds niet zien. En inmiddels vonden we dat eigenlijk helemaal niet erg.

Draken, wolven en een hoofd zonder lichaam

Dat vreemde licht moet vroeger nog veel indrukwekkender zijn geweest, toen niemand wist dat een eclips simpelweg ontstaat doordat de maan tussen de aarde en de zon schuift.

Over de hele wereld ontstonden verhalen om de zonverdwazing te verklaren. In oude Chinese verhalen kon een draak de zon verslinden en maakten mensen lawaai om hem te verjagen. In de Noordse mythologie wordt de zon achtervolgd door de wolf Sköll. En in de hindoeïstische mythologie speelt Rahu een prachtige rol. Rahu is alleen een hoofd. Volgens de mythe dronk hij stiekem van de nectar die hem onsterfelijk zou maken. Zon en maan verraadden hem, waarna Vishnu zijn hoofd van zijn lichaam scheidde. Maar omdat Rahu inmiddels onsterfelijk was, bleef zijn hoofd bestaan. Uit wraak probeert hij sindsdien zon en maan te verslinden. Zonder lichaam kan hij ze alleen nooit vasthouden. En dus komt het licht altijd terug.

Wie tijdens een eclips het vreemde licht om zich heen ziet, begrijpt ineens iets beter waarom mensen daar ooit draken, wolven en goden voor nodig hadden.

De schaduwdoop

Toen we begonnen, bestond sfeereclipsen nog niet. Aan het einde van de avond wisten we precies wat het betekende.

Sfeereclipsen is niet proberen de beste foto van een verduisterde zon te maken. Het is kijken naar een plek die je goed kent en merken dat die langzaam verandert. Luisteren of de vogels anders klinken. Voelen dat de wind opsteekt. Zien dat je camera iets anders registreert dan je ogen. En ontdekken dat een blauwe hemel zachter kan worden.

Terwijl elders mensen in de file stonden om de eclips te kunnen zien, zaten wij gewoon op ons terras. We zagen de zon niet één keer. Maar misschien hebben we de eclips juist daardoor wel echt ervaren. En daarmee kreeg het woord sfeereclipsen zijn eerste officiële schaduwdoop.

zondag, augustus 02, 2026

Chora (Naxos), laag voor laag

Sommige bestemmingen lijken op een ui. Je moet ze laag voor laag afpellen voordat je een plaats begrijpt. Chora op Naxos is zo’n plaats.

De eerste laag

Wanneer je met de boot aankomt, zie je eerst de Portara. De grote marmeren poort staat op een klein schiereiland naast de haven en is het boegbeeld van Naxos geworden. Vrijwel iedereen die het eiland binnenvaart, maakt er een foto van. De poort hoorde bij een tempel voor Apollo die nooit is afgemaakt. Dat laatste is eigenlijk het interessantste aspect. Een voltooid gebouw vertelt wat het geworden is. Een onvoltooid gebouw blijft ook vertellen wat het had kunnen worden.

Maar wanneer je eenmaal van de boot bent gestapt, kom je eerst in een heel andere wereld terecht. Langs de boulevard staan restaurants, terrassen, souvenirwinkels en reisbureaus dicht op elkaar. Alles probeert je aandacht te trekken. Het is een grote toeristenkermis die weinig verraadt van wat erachter ligt. Je zou de neiging kunnen krijgen om rechtsomkeert te maken en de eerste de beste boot naar een ander eiland te nemen.

Dat zou jammer zijn.

Verder Chora in

Je moet verder Chora in gaan. Niet alleen rechtdoor lopen, maar ook afslaan waar je niet weet waar je uitkomt. Je moet steegjes in, trappen op en doorgangen onder huizen door. Soms daal je weer af en kom je uit waar je een uur eerder ook al was. Chora laat zich niet in één wandeling begrijpen.

Na de boulevard komt de oude stad. De straten worden smaller en mooier, maar ook steiler. Hoe hoger je klimt, hoe minder mensen je tegenkomt. Veel bezoekers blijven beneden, waar de winkels zijn en waar je zonder veel inspanning weer bij de haven kunt komen. Rust moet je in Chora blijkbaar verdienen door omhoog te lopen.

Toch is ook de oude stad nog maar een laag. De fraaiste steegjes en witte huizen zijn inmiddels net zo goed onderdeel van het beeld dat bezoekers van de Cycladen verwachten. Ze zijn echt, maar worden tegelijkertijd bekeken, gefotografeerd en verhuurd. Het wordt pas werkelijk interessant wanneer je de laag bereikt waar de bewoners leven.

Waar de bewoners leven

Die zie je beter wanneer je zelf een huisje huurt. Veel woningen hebben een kleine verdieping of een huisje op het dak dat aan toeristen wordt verhuurd. Vanaf zo’n dakterras kijk je niet alleen uit over zee en witte kubusvormige huizen. Je kijkt ook neer op binnenplaatsen, keukens, waslijnen en buren die elkaar vanaf hun balkons iets toeroepen. Daar begint een ander Naxos.

In een van de huizen in onze buurt woonde een vrouw die iedere dag tientallen katten te eten gaf. Sommige katten zaten al uren op haar te wachten. Ze wisten precies waar en wanneer ze moesten verschijnen. Daarna kwam de vrouw naar buiten en serveerde ze hun iets wat meer op een driegangendiner leek dan op kattenvoer. De katten schoven aan in groepjes, alsof er een onzichtbare tafelschikking bestond. Het was geen attractie. Juist daardoor bleef ik ernaar kijken.

Een bed en een rolkoffer

Ook achter het drukke St. George Beach wonen mensen tussen de appartementen, hotels en verhuuraccommodaties. Overdag lopen toeristen er met strandtassen, luchtbedden en koffers. Daartussen staat soms ineens een gewoon huis met een openstaande deur. Iedere dag kwamen wij langs zo’n huisje. Binnen lag iemand op een bed, vermoedelijk op sterven. Het bed stond vlak bij de open deur. Het voelde ongemakkelijk om erlangs te lopen, maar wegkijken voelde minstens zo ongemakkelijk. De volgende dag was het bed leeg. Dat beeld bleef bij me. Een paar uur later stond er een rolkoffer naast het bed en liep er een toerist door het huisje. Eerst een mens, daarna een leeg bed en vervolgens een koffer. Het leven van de bewoner en het verblijf van de bezoeker leken elkaar zonder tussenruimte af te wisselen.

Toeristische plaatsen wekken gemakkelijk de indruk dat alles er voor de bezoeker bestaat. De kamer is schoongemaakt, het bed is opgemaakt en de sleutel ligt klaar. Wat eraan voorafging, blijft meestal buiten beeld. Toch hebben die kamers een geschiedenis, zelfs als wij daar niets van weten. Misschien is dat de diepste laag van Chora: het besef dat je tijdelijk verblijft op een plaats waar anderen niet op vakantie zijn.

Op St. George Beach zag ik ook iets wat ik nog nooit eerder had gezien. Er stond een installatie die Seatrac heette. Via een soort rails of kabelsysteem konden mensen met een rolstoel de zee in. Ik heb er lang naar gekeken en kreeg er allerlei merkwaardige visioenen bij. Vooral de vraag hoe iemand daarna weer uit zee kwam, hield me bezig. Helaas heb ik niemand het systeem zien gebruiken, dus ik weet nog steeds niet precies hoe het werkt. De meeste mensen lopen er voorbij, zonder er echt naar te kijken.

Lopen doen de Grieken zelf overigens niet altijd graag. Wij hadden een buurman die iedere ochtend op zijn scooter naar de bakker ging. Die bakker zat letterlijk twee huizen verderop. Tegen de tijd dat hij zijn scooter had gestart en de straat op was gereden, had hij er lopend al kunnen staan. De bakkers op Naxos zijn in ieder geval de moeite waard. Ze zijn overal en verkopen brood, taartjes en allerlei gevulde en ongevulde broodjes waarvan je jezelf iedere ochtend kunt wijsmaken dat je ze nodig hebt voor de wandeling naar boven.

Chora openbaart zich niet in de juiste volgorde. Eerst zie je het monument dat nooit werd voltooid. Daarna de toeristenwereld die geheel op bezoekers lijkt te zijn ingericht. Vervolgens kom je in de oude stad, waar de straten stiller worden. Pas daarna zie je de kattenvrouw, de buurman op zijn scooter, de open deuren en de kamers waarin geleefd, gestorven en opnieuw ingecheckt wordt.

Een bestemming is nooit alleen wat er voor ons wordt klaargezet. Ze bestaat ook uit alles wat gewoon doorgaat wanneer wij weer op de boot stappen. Misschien is reizen niet het verzamelen van zoveel mogelijk mooie plaatsen, maar het langzaam afleren van de gedachte dat een plaats er is omdat wij haar bezoeken.

De Portara staat bij vertrek nog altijd op dezelfde plek. Een poort zonder tempel, die nergens meer naartoe leidt. Of misschien juist wel. Niet naar het Naxos van de reisgidsen, maar naar de lagen die daarachter liggen. Je moet alleen de moeite nemen om erdoorheen te kijken.

zaterdag, juli 25, 2026

Van, naar en tussen de Cycladen: een cultuurshock op 30.000 voet en op zee

Ik ben al op behoorlijk wat Griekse eilanden geweest. Genoeg om te denken dat ik het reispatroon wel doorhad: een vlucht, een veerboot, wat wachten in een taverna, klaar. Maar niets bereidde me voor op de manier waarop je van, naar en binnen de Cycladen reist en vooral niet op hoe anders dat voelde dan al die andere keren.

Transavia naar Mykonos: welkom in een andere wereld

Het begint al aan boord. Het publiek op een Transavia-vlucht naar Mykonos was compleet anders dan wat ik gewend was en het personeel leek er zelfs op ingericht: stewardessen van een zekere, laten we zeggen pensioengerechtigde leeftijd en stewards die stuk voor stuk uit een nerdcasting leken te komen. Vriendelijk, maar kordaat, dat laatste bleek geen overbodige luxe.

Er leken zich geen doorsnee reizigers aan boord te bevinden, die voor de Griekse cultuur naar Griekenland kwamen, maar mensen die vooral naar Mykonos gingen om te zien en gezien te worden. Opgespoten lippen alom, weinig mooie merkkleding, maar des te meer blingbling. Ik had verwacht meer eilandhoppers zoals wijzelf tegen te komen, op weg naar de kleine Cycladen, maar zowel heen als terug leek dat nauwelijks het geval.

Het meest opvallende: zonder uitzondering zat iedereen de hele vlucht naar filmpjes van zichzelf te kijken. Op de terugvlucht zag ik dezelfde types terug en keken ze naar filmpjes in clubs, waar ze ook vooral naar zichzelf leken te kijken en nauwelijks naar iemand anders.

En dan die terugvlucht. Om onduidelijke redenen (besmettelijke ziektes op Mykonos ken ik niet, maar blijkbaar was er reden genoeg) hield het personeel het voorste toilet dicht. Passagiers moesten allemaal naar achteren, terwijl bemanning en piloten wel op het voorste toilet gingen, op een compleet volle vlucht. Vreemd en eerlijk gezegd nogal schandalig. Het spectaculaire hoogtepunt kwam tijdens de landing op Schiphol: terwijl de stewards en stewardessen al vastgesnoerd zaten voor de final approach, vond een van de blingbling-passagiers het nodig om zijn riem los te maken, op te staan en zijn koffertje te grijpen. Het leverde de meest directe zin op die ik ooit door een boordtelefoon heb horen klinken, met een woord erin (sodemieter) dat je normaal niet van een steward hoort.

De boten: chaos met een eigen logica

Was de vlucht al een cultuurshock, de veerboten op de Cycladen zijn nog een klasse apart, zelfs voor Griekse begrippen.

Neem Tourlos, de ferryhaven van Mykonos. Honderden mensen dringen daar door elkaar voor de hekken, veel internationaler dan waar dan ook: Koreanen, massa's Amerikanen, de hele wereld lijkt er samen te komen. Boven dat gekrioel uit klinkt onafgebroken een ritmisch fluitgeluid, afkomstig van de Trochaia, de politieagenten die tussen de hekken en de kade staan waar de boten aanmeren. Het klinkt chaotisch, maar er zit een systeem in: een lange, harde fluit betekent stop, korte snelle fluitjes betekenen doorlopen of doorrijden en een korte fluit betekent "ik zie je". Het probleem is alleen dat vrijwel niemand die code kent, waardoor het weinig bijdraagt aan het beheersen van de wanorde.

Zodra er een boot kan laden, gaat er een hek open en persen honderden passagiers, tientallen auto's en vrachtwagens zich tegelijk naar binnen. Logisch eigenlijk, want vanuit Tourlos vertrekken boten naar alle Cycladische eilanden en zelfs tot aan Athene, met capaciteiten tot 1.600 passagiers per boot.

De boten zelf verschillen enorm. De snelle catamarans lijken eerder op vliegtuigen dan op schepen, compleet met een veiligheidsinstructie die niet zou misstaan in de lucht, plus cafés, restaurants en winkels, kleine cruiseschepen eigenlijk. Compleet anders is de Skopelitis, die tussen Naxos en de kleine Cycladen vaart. Minder mensen aan boord, dat wel, maar ook minder comfort: nauwelijks zitplaatsen, je wordt vaak nat, de stroom valt weleens uit en onze koffer die in het ruim stond leek na afloop wel gebakken te zijn.

Op Chora, Naxos, is de kade een fractie van die in Mykonos, terwijl er alsnog duizenden passagiers in en uit moeten stappen, vaak van meerdere boten tegelijk. Het gekrioel is er zo mogelijk nog erger en de Trochaia fluit dan ook hysterisch en onophoudelijk. Vertrekken is een hele toer: je moet je een weg wringen naar de juiste boot, terwijl volstrekt onduidelijk is welke rij bij welke boot hoort. Er hangen weliswaar bordjes, bedoeld als hulp van de Trochaia, maar die kloppen nooit.

Onze oplossing werd al snel: wachten op de boulevard tot je de boot daadwerkelijk op zee ziet aankomen en pas dan naar het juiste gat tussen de mensenmassa bewegen. Want eenmaal in de verkeerde rij van de wachtruimte beland, kom je er niet meer uit, het hekje gaat pas open als jouw boot er is en van rij wisselen is geen optie.

Wat je moet weten voor je zelf gaat

Zelfs in juni zitten de boten al overvol, dus boek ruim van tevoren online een plek. Op de kleine Cycladen is het gelukkig een stuk rustiger. Eén ding blijft echter een constante op de Cycladen: door de Meltemi, de karakteristieke noordenwind, heb je er bijna nooit rustig vaarwater.

Kortom: reizen van, naar en binnen de Cycladen is een ervaring op zich, nog voordat je op je eiland van bestemming bent aangekomen.

donderdag, juli 16, 2026

Van Telendos naar Schinoussa

Jarenlang kwam ik op Telendos, meerdere keren per jaar. Ik kende alle inwoners, elke steen en zelfs alle honden bij naam. Het eiland was een soort thuis geworden. Ik heb er een hele generatie zien opgroeien en was aanwezig bij bruiloften en begrafenissen. Ook de weinige bezoekers van het eiland kenden elkaar. In de winter bezochten we elkaar in binnen- en buitenland.

Toen Telendos veranderde

Totdat het veranderde. Internet deed zijn intrede en langzaam kwamen er steeds meer bezoekers. De bootjes brachten hen onafgebroken vanaf Kalymnos naar Telendos. De terrassen stroomden vol en de stilte verdween. Tegelijkertijd verdwenen de mensen bij wie het oude Telendos hoorde. Ze werden ouder, stopten met hun taverna of overleden. Met iedere bekende eilandbewoner verdween er een stukje Telendos dat nooit meer terugkwam. Een eiland gaat niet op één dag verloren. Het blijft gewoon op dezelfde plaats liggen. De berg staat er nog, de zee heeft nog dezelfde kleur en vanaf de haven lijkt alles vertrouwd, maar ondertussen verandert het karakter. Wat ooit een leefgemeenschap was waar toevallig ook reizigers kwamen, wordt langzaam een bestemming die vooral voor bezoekers bestaat.

De Duitse filosoof Oswald Spengler beschreef culturen als levende organismen. Volgens hem kennen zij een jeugd, een periode van bloei, een fase van verstarring en uiteindelijk een einde. Ook een Grieks eiland kan groeien, bloeien en vervolgens iets wezenlijks verliezen, doordat het oude ritme wordt vervangen door iets nieuws. Misschien was alleen het Telendos verdwenen waarnaar ik altijd terugkeerde. Voor nieuwe bezoekers was het nog steeds een ontdekking. Voor mij werd het steeds meer een herinnering.

Op zoek naar een nieuw eiland

Daarna bezocht ik vele plaatsen op de wereld en ook vele andere Griekse eilanden, maar ik was niet op zoek naar een nieuw eiland. De geschiedenis die ik met Telendos had, is immers onvervangbaar. Totdat ik op Instagram Sto Chorio zag. Daar dansten een man en een vrouw op een geweldig nummer. Het filmpje had iets magisch. Na een lange zoektocht bleek het nummer Okeanos te heten en het eiland Schinoussa te zijn. En ik voelde dat het goed was.

Schinoussa

Schinoussa, een eiland met een ziel

Nu ik er onlangs ben geweest, kan ik zeggen dat mijn gevoel klopte. Schinoussa is een eiland met een ziel. Een andere, magische wereld. Het eiland is bovendien niet gemakkelijk te bereiken: vanuit Nederland reis je via minstens twee andere eilanden en twee boten, eerst ongeveer een uur varen en daarna nog eens twee uur of met een binnenlandse vlucht en vervolgens een boot. Die omslachtige reis maakt de kans klein dat hier ooit grote drommen toeristen zullen komen. Een eiland zonder toeristen bestaat bijna niet meer, maar Schinoussa is een plaats waar het dagelijks leven nog niet door bezoekers wordt bepaald. Waar de boot, de Skopelitis, geen toeristische attractie is, maar een levenslijn. Waar families nog deel uitmaken van het verhaal van het eiland. De vrouw uit het filmpje, Pothiti, ontmoette ik overigens al op de eerste dag.

Zo kwam ik op Schinoussa terecht. En één ding weet ik zeker: het zal niet de laatste keer zijn. Dit is het begin van mijn verhalen over de Cycladen: over Naxos, Mykonos en Schinoussa, over veerboten, havens, eilandbewoners en het leven op de eilanden.

dinsdag, mei 26, 2026

AI is gevaarlijk (volgens de paus)

Als er één signaal is dat de mensheid collectief de mist in gaat, dan is het dit wel: het Vaticaan heeft een mening over AI. Op 15 mei 2026 publiceerde paus Leo XIV de encycliek Magnifica Humanitas. Een pauselijk document van honderden pagina's over kunstmatige intelligentie. Want als er iemand is die we om technologisch advies vragen, dan is het natuurlijk een instituut dat zijn gezag baseert op een boek van vóór de uitvinding van de stoommachine, bewoond door mannen in jurken die vergaderen in paleizen gebouwd op renaissancistische slavenarbeid. Logisch dat zij zich zorgen maken over algoritmes. En toch, als de paus er een encycliek aan wijdt, moet er iets aan de hand zijn.

De timing van de Kerk

De Kerk heeft een indrukwekkende staat van dienst in het net iets te laat reageren op maatschappelijke veranderingen. De paus vergelijkt AI met de Industriële Revolutie. Dat deed paus Leo XIII in 1891 ook al met de encycliek Rerum Novarum, een tekst die destijds arriveerde nadat kinderen al decennialang in kolenmijnen zwoegden. Timing is alles. Galileo? Wachtten ze een paar eeuwen mee. Vrouwenrechten? Nog mee bezig. De Inquisitie? Officieel afgeschaft in 1908.

De kern van de pauselijke boodschap is pijnlijk herkenbaar: de mens mag geen bijzaak worden in zijn eigen beschaving. Technologie is niet neutraal; het heeft richting nodig. Je bent meer dan je data. Het is natuurlijk hypocriet om dit te horen van een organisatie die vrouwen uitsluit van leiderschap, homoseksualiteit heeft gecriminaliseerd en geregeerd wordt door grijze mannen die in een gesloten conclaaf worden gekozen, zonder enige democratische inbreng van de 1,3 miljard mensen namens wie ze spreken. Als we het hebben over "menselijke waardigheid", mag het Vaticaan best eerst in de spiegel kijken voor het techbedrijven de les leest.

De nieuwe fabrieksarbeider

Maar de analogie klopt wel. Net als de fabrieksarbeider in 1850 wordt de moderne internetgebruiker keurig uitgekleed. Niet voor zijn spierkracht, maar voor zijn aandacht, data en verlangens. Facebook weet eerder dan jij dat je relatie op springen staat. TikTok weet welk type zonsondergang jou drie seconden langer op je scherm houdt. En die data wordt netjes omgezet in miljarden voor een handjevol aandeelhouders.

De paus noemt AI de nieuwe Toren van Babel: indrukwekkend, hoog en gebouwd op zelfoverschatting. Wat hij er uit beleefdheid niet bij zegt, is dat de Sint-Pieter destijds met exact dezelfde motivatie (en publiek geld) is neergezet, maar dat is een detail.

Waar het om gaat is dat achter elk algoritme een politieke en morele keuze zit:

  • Wiens taal is dominant?
  • Wiens gezicht wordt herkend, en wiens gezicht wordt een veiligheidsrisico?
  • Wiens geschiedenis zit in de trainingsdata, en wiens verhaal is actief gewist?

Magnifica Humanitas 2.0

In Nederland kunnen (of konden, er mag immers niet meer zo veel gelachen worden) we gelukkig om de paus lachen. Toen Johannes Paulus II ons in 1985 bezocht, scoorden Henk Spaan en Harry Vermeegen een Top 40-hit met Popie Jopie. Iedereen zong mee, niemand stak iets in de fik. Paussatire is een nationale traditie. Maar tussen het lachen door moeten we de echte boodschap niet uit het oog verliezen. De techreuzen beloven dat ze de wereld verbeteren, terwijl ze hun winst maximaliseren. De Kerk spreekt over waardigheid terwijl ze haar eigen schandalen wegmoffelt. Eigenlijk is het Vaticaan zelf net een AI: een zelfverzekerd antwoord geven terwijl je de context niet helemaal snapt, de output er zo overtuigend laten uitzien dat niemand er meteen vraagtekens bij zet en de echte verantwoording doorschuiven naar de volgende versie. Magnifica Humanitas 2.0 komt er vast aan. Met betere reasoning en minder hallucinaties.


woensdag, mei 20, 2026

Turks brood met tonijnsalade, spekjes en sponsdoekjes: Albert Heijns meest absorberende recept

"Koken met dit product”, zegt Albert Heijn. Ik ben benieuwd of je ze moet bakken, stomen of gewoon laten sudderen tot ze lekker absorberend zijn.



 

dinsdag, mei 19, 2026

Jaanchi van Westpunt, een stukje Curaçao met karakter

Lang geleden kwam ik voor het eerst op Curaçao. Zoals dat soms gaat met reizen, weet je achteraf niet meer precies wat je allemaal die keer hebt gezien, maar je weet nog wel wat je voelde. Bij mij was dat vooral Bandabou. Daar zat voor mij het Curaçao dat ik wilde onthouden. Ruiger, oorspronkelijker, vriendelijker en mooier. Bandariba had voor mij meer van hetzelfde, een eenheidsworst in tropische verpakking. Maar Bandabou had (en heeft), warmte en karakter.

En in Westpunt had je Jaanchi. Het restaurant was niet alleen een plek waar eten op tafel kwam, het was meer een belevenis. De man zelf, Jan Christiaan, beter bekend als Jaanchi of The Walking Menu, kwam aan tafel en vertelde wat er die dag te eten was. Terwijl Jaanchi dat vertelde, beeldde hij de menukaart uit met gebaren, humor en mimiek. Kip, geit, vis, leguaan.

Jaanchi is onlangs overleden, op 77-jarige leeftijd. Daarmee is Curaçao niet zomaar een restauranteigenaar kwijt, maar een icoon. Zijn restaurant wordt beschreven als het oudste restaurant van Curaçao; volgens zijn nicht Jo-Anne Bakhuis-Da Costa Gomez begon zijn grootvader het restaurant in 1936 en zou de familie dit jaar het 90-jarig bestaan vieren. Jaanchi zelf droeg het restaurant 58 jaar lang.

Wat Jaanchi bijzonder maakte, was niet alleen dat hij eten serveerde. Hij serveerde aandacht. En dat is zeldzamer dan geit, vis of leguaan. Hij liep niet langs de tafels, omdat dat nu eenmaal bij zijn werk hoorde. Hij maakte van elke tafel even een ontmoeting. Dat is een vorm van gastvrijheid die je niet kunt aanleren in een hospitalitytraining. Je hebt het, of je hebt het niet. Jaanchi had het.

Zijn nicht schreef een prachtig stuk over hem. Daaruit spreekt iets wat je tegenwoordig bijna ouderwets zou noemen, maar wat eigenlijk tijdloos is: hard werken, niet stilzitten, dienstbaarheid, familie, trouw aan een plek en echte aandacht voor mensen. Dat voelde je ook als bezoeker. Jaanchi’s was geen decor dat voor toeristen was neergezet. Het was gegroeid, verzameld, geleefd. Een plek met een ziel.

Ik weet nog goed dat ik er voor het eerst kwam. Ik vond het meteen gezellig. Niet gestileerd gezellig, maar echt gezellig. Alles klopte gewoon. Curaçao heeft daarna nooit meer dezelfde overweldigende indruk op mij gemaakt als die eerste keer. En Jaanchi hoorde bij die eerste indruk. Michael heeft er zelfs voor het eerst leguaan gegeten. Ik niet. Ik had thuis namelijk zelf een leguaan als huisdier, Rabin. En hoe enthousiast Jaanchi het menu ook uitbeeldde, bij leguaan zag ik toch vooral mijn eigen huisgenoot voor me.

Curaçao is een icoon armer. Westpunt is stiller geworden. Maar wie ooit bij Jaanchi heeft gegeten, vergeet hem nooit meer. Een man die van eten een ontmoeting maakte en van een restaurant een begrip.


maandag, mei 18, 2026

Schipper, mag ik overvaren? Ja, want Europa betaalt

Toen wij nog vaak naar Telendos gingen, zagen wij soms vreemde taferelen. Niet alleen op het eiland zelf, maar ook op zee, tussen de eilanden in. Wat we in 2015 zagen, krijgt nu, jaren later, alsnog een staartje.

Telendos is zo’n plek waar je makkelijk vergeet dat de wereld bestaat. Een klein eiland tegenover Kalymnos, met terrassen aan het water, rotsen in de zon en dat typische Griekse gevoel. Maar in 2015 was de wereld daar ineens heel dichtbij. Vanaf een idyllisch terras zagen wij dagelijks open boten voorbijkomen met vluchtelingen. Honderden mensen, meerdere keren per dag. Ze werden van het eiland Leros richting Kalymnos vervoerd. In de haven van Kalymnos was een tentenkamp ingericht. Veel mensen bleven daar niet lang, want de meeste vluchtelingen wilden verder: naar Athene, het vasteland en de rest van Europa.

Het terras was daardoor al snel niet meer idyllisch. Eerst kijk je nog naar zee. Daarna kijk je naar mensen. En dan begint het praten. Zoals dat nu op sociale media gebeurt, gebeurde het toen gewoon aan tafeltjes met ouzo, koffie en Mythos. Binnen de kortste keren was het hele terras verdeeld. De een vond dat vluchtelingen geholpen moesten worden. De ander vond dat het eiland overspoeld werd. Soms leek het alsof wie kritiek had, moreel geen recht meer had om nog op het eiland te komen.

Ook onder eilandbewoners zelf hing spanning. Er werd met afgunst gekeken naar de plaatselijke schippers, die volgens sommigen veel geld verdienden aan het vervoer van vluchtelingen. Of dat werkelijk om enorme bedragen ging, viel voor ons natuurlijk niet te controleren. Op kleine eilanden groeit een verhaal snel uit tot een waarheid. Zeker op eilanden waar vetes, roddel en achterklap soms net zo hard waaien als de Meltemi.

Jaren later duikt nu op sociale media opnieuw zo’n verhaal op. De schippers zouden nu worden aangesproken op hun rol, omdat zij destijds ook mensen zouden hebben vervoerd die later betrokken waren bij terroristische aanslagen in Europa. Vooral de aanslagen in Parijs in 2015 worden daarbij genoemd. Dat maakt zo’n verhaal meteen explosief. Vluchtelingen, Griekenland, Europees geld, terrorisme: alles zit erin. Maar de werkelijkheid is ingewikkelder.

Wat wel vaststaat, is dat Griekenland in die jaren veel Europees geld kreeg voor de opvang en verplaatsing van vluchtelingen en asielzoekers. In Europese overzichten wordt expliciet gesproken over financiering voor onder meer opvang, voeding, gezondheidszorg en vervoer naar het vasteland. Ook klopt het dat enkele daders van de aanslagen in Parijs via Griekenland Europa zijn binnengekomen. Griekse media schreven destijds over mannen die via Leros waren geregistreerd en daarna verder reisden. Proto Thema beschreef bijvoorbeeld hoe twee latere zelfmoordterroristen op 3 oktober 2015 bij Farmakonisi aankwamen, samen met anderen, waarna zij via Leros in het registratiesysteem terechtkwamen en later verder reisden.

Daar houdt de harde zekerheid grotendeels op. Ik heb geen betrouwbare Griekse nieuwsbron gevonden waarin lokale schippers officieel worden beschuldigd, omdat zij terroristen zouden hebben vervoerd. Iemand vervoeren in een chaotische vluchtelingencrisis is niet hetzelfde als weten wie iemand is. Een schipper controleert geen paspoorten. Een eilandbewoner voert geen veiligheidsanalyse uit. En in 2015 was de situatie op de Griekse eilanden vaak zo chaotisch dat zelfs officiële instanties moeite hadden om iedereen goed te registreren.

Wat wij op Telendos zagen, was in ieder geval echt, net als de boten, de mensen, de spanning op het terras en de jaloezie op het eiland. De waarheid van 2015 ligt ergens tussen zee, geld, noodhulp, mensensmokkel, Europees beleid en eilandroddel in. En misschien is dat wel het wrange: op een klein Grieks eiland zag je toen al waar Europa op uit zou draaien. Niet als ideaal, maar als crisis die langzaam langs je terras voer.

 

donderdag, mei 14, 2026

Rob Jetten op Bonaire: klimaatwoorden, een kwal en een vergeten klimaatplan

De leguanen wapperden met hun staarten, Nolly Oleana met zijn klimaatplan en het koraal bloeide bijna weer op: minister-president Rob Jetten zou op 12 mei 2026 naar Bonaire komen.

In 2023 was Rob Jetten als minister van Klimaat en Energie ook al op Bonaire. Toen was hij nog zichtbaar begaan met het klimaat. Zo werkte hij in de mangroven eigenhandig aan natuurherstel. Op 9 mei 2023 nam hij samen met waarnemend gezaghebber Nolly Oleana het adviesrapport van de Klimaattafel Bonaire in ontvangst. En verdomd als het niet waar is, onze eigen Edje Raketje uit Bergen op Zoom had ook weer een functie voor zichzelf gecreëerd op het zonnige eiland, als kwartiermaker van de Klimaattafel. Bonaire moest weerbaarder worden, de natuur moest beschermd worden, het koraal verdiende aandacht en Den Haag leek het eiland ineens te hebben gevonden zonder eerst op Google Maps te hoeven zoeken.

Daarna werkte Nolly Oleana verder als voorzitter van de Klimaattafel Bonaire. Zijn lijn is praktisch: niet alleen mooie klimaatwoorden, maar maatregelen. Huizen verstevigen tegen stormen, natuur beschermen, voedselzekerheid, leefbaarheid, uitvoering regelen en geld vinden. Volgens Oleana lag er na anderhalf jaar werk een concreet en breed gedragen klimaatplan, maar bleef de uitvoering hangen in bestuurlijke processen.

In oktober 2025 stonden Greenpeace en inwoners van Bonaire tegenover de Nederlandse Staat in de rechtbank. Zij vonden dat Bonaire veel te weinig wordt beschermd tegen klimaatverandering, terwijl het eiland juist kwetsbaar is voor zeespiegelstijging, hitte, stormen en schade aan koraal en natuur. Op 28 januari 2026 gaf de rechtbank hen grotendeels gelijk: Nederland doet te weinig en behandelt Bonaire niet gelijkwaardig aan Europees Nederland. En toen kwam de draai. Op 10 april 2026 besloot het kabinet-Jetten in hoger beroep te gaan tegen die uitspraak.

De man die in 2023 nog als klimaatminister op Bonaire sprak over bescherming, kwam in 2026 terug als minister-president van een kabinet dat juridisch tegen extra bescherming voor Bonaire in verweer gaat. Maar hoe hoger je in de politiek komt, hoe minder je je dat soort zaken daadwerkelijk aantrekt. Het gaat dan alleen nog om de schijn. Op 12 mei 2026 begon Jetten zijn eendaagse bezoek aan Bonaire dan ook met een zeer persoonlijke test van de waterkwaliteit, waarbij hij vermoedelijk door een kwal werd gestoken en de volgende uren vooral de luchtkwaliteit in ziekenhuis Mariadal kon beoordelen. Ondertussen was het klimaatplan van Nolly Oleana na anderhalf jaar werk klaar om te worden overhandigd, maar daar was in het programma geen tijd voor ingeruimd. Voor een persmoment bij Divi Flamingo Beach Resort & Casino gelukkig wel.

Later die dag hervatte hij zijn programma, maar de angel werd er niet uitgehaald. Tijdens het persmoment op 12 mei 2026 zei Jetten keurig dat klimaatverandering belangrijk blijft en dat Bonaire samen met Nederland moet investeren in weerbaarheid, duurzame energie en voorbereiding op extreem weer. Maar op de vraag hoe hij zich persoonlijk voelde bij het hoger beroep van zijn eigen kabinet tegen de Greenpeace-uitspraak, bleef het stil. En zo komt Bonaire er opnieuw bekaaid vanaf: goed genoeg voor klimaatfoto’s, werkbezoeken en warme woorden, maar zodra er juridisch echte bescherming moet komen, wordt het eiland weer naar de wachtkamer verwezen. Soms zegt een kwal meer over klimaatbeleid dan een persmoment.

Hemelvaart in tijden van likes en perfecte plaatjes

Hemelvaart is zo’n woord dat nog wel op de kalender staat, maar voor veel mensen zijn betekenis kwijt is. Het is een vrije dag geworden, een lang weekend, misschien ergens vaag nog iets met Jezus die naar de hemel ging. Maar in het christendom is Hemelvaart een belangrijk feest. Het herinnert eraan dat Jezus, veertig dagen na Pasen, afscheid nam van zijn leerlingen en werd opgenomen in de hemel. Als teken dat Zijn leven, lijden, sterven en opstanding niet eindigden in verlies. Hemelvaart betekent dat Christus wordt verhoogd: Hij krijgt een plaats bij God.

Juist dat maakt Hemelvaart zo bijzonder. Jezus wordt niet verhoogd omdat Hij zichtbaar succesvol was, indruk maakte met uiterlijk vertoon of Zichzelf voortdurend op de voorgrond zette. Integendeel. Het christelijke verhaal zegt dat Hij juist door vernedering, lijden en dienstbaarheid heen verhoogd werd. Dat is een ongemakkelijke gedachte in een tijd waarin succes vaak wordt gemeten in likes, volgers, mooie foto’s, perfecte lichamen, invloed en zichtbaarheid. Op sociale media lijkt waarde soms samen te vallen met hoe goed je jezelf kunt presenteren. Wie gezien wordt, telt mee. Wie mooi, sterk, gelukkig en succesvol oogt, lijkt gewonnen te hebben.

Hemelvaart draait dat beeld radicaal om. Christus wordt niet verhoogd omdat Hij zichzelf groter of machtiger maakte, maar omdat Hij zichzelf gaf. Niet de buitenkant blijkt doorslaggevend, maar liefde, trouw, nederigheid en dienstbaarheid. In een cultuur waarin mensen zichzelf moeten verkopen om niet onzichtbaar te worden, zegt Hemelvaart iets bevrijdends: je waarde hangt niet af van je uitstraling, je status of je bereik. Wat kwetsbaar is, kan heilig zijn. Wat niet glanst, kan betekenisvol zijn. En wat uit het zicht verdwijnt, hoeft niet verloren te zijn. Juist daarin schuilt misschien de diepste betekenis van Hemelvaart: Christus verdwijnt uit het zicht, maar niet uit de werkelijkheid. Hij laat geen leegte achter, maar een omgekeerde blik op wat waarde, macht en aanwezigheid eigenlijk betekenen.

woensdag, mei 13, 2026

De koloniale echo van het Frans in Senegal

Wie door Senegal reist, ziet overal Frans. Op borden langs de weg, op scholen, op overheidsgebouwen, op administratieve formulieren en in publieke instellingen. Het Frans is zo nadrukkelijk aanwezig dat je bijna zou vergeten dat Senegal al sinds 1960 onafhankelijk is en dat lokale talen zoals Wolof door een groot deel van de bevolking worden gesproken.

Tijdens mijn reizen ben ik mij steeds bewuster geworden van de manier waarop taal verbonden is met macht, identiteit en maatschappelijke positie. Wanneer je je verplaatst tussen verschillende landen en sociale contexten, vallen dingen op die in je eigen omgeving vaak vanzelfsprekend lijken. In Senegal werd dat voor mij heel concreet. De taal die het meest zichtbaar is, is niet per se de taal die de meeste mensen thuis of onderling gebruiken, maar de taal van bestuur, onderwijs en status.

Tijdens meerdere bezoeken aan Senegal werd ik telkens getroffen door de alomtegenwoordigheid van het Frans. Vrijwel alle officiële bewegwijzering, schoolborden en administratieve aanduidingen die ik zag, waren uitsluitend in het Frans opgesteld. Op een basisschool die ik bezocht om schoolspullen af te geven, waren alle informatieborden, instructies en schoolaanduidingen in het Frans. Ook in de klas waar wij mochten meekijken, waren de leerlingen bezig met Franse les.

Wat mij het meest raakte, was dat de kinderen moesten opstaan om de Marseillaise te zingen. Dat moment voelde voor mij ongemakkelijk en zelfs beschamend. Meer dan zestig jaar na de onafhankelijkheid leek de koloniale erfenis nog volledig aanwezig in het onderwijs. Niet als geschiedenisles, maar als dagelijkse praktijk.

Deze observaties sluiten nauw aan bij de analyse van Ibrahima Diallo (2006). Senegal werd in 1960 onafhankelijk, maar nam het Frans aan als enige officiële taal van de staat. Daarmee bleef de koloniale bestuurstaal institutioneel dominant. Frans bleef de taal van administratie, onderwijs en parlement. Diallo laat zien dat beheersing van het Frans sterk verbonden is met sociale mobiliteit en economische kansen.

Tijdens mijn gesprekken met lokale inwoners werd dit beeld bevestigd. Een schoonmaker vertelde mij bijvoorbeeld dat men heel goed Frans moet kunnen om kans te maken op een baan. Frans fungeert dus niet alleen als communicatiemiddel, maar als toegangstaal tot werk, status en maatschappelijke erkenning.

Tegelijkertijd is Frans voor het merendeel van de bevolking geen moedertaal. Volgens Diallo spreekt slechts ongeveer 20 procent van de bevolking Frans vloeiend en heeft minder dan 1 procent het Frans als moedertaal. Daartegenover staat dat Wolof door meer dan 80 procent van de bevolking wordt gebruikt als lingua franca. Deze demografische realiteit staat in scherp contrast met het officiële taallandschap, waarin Wolof opvallend weinig zichtbaar is.


Dat maakt het taallandschap van Senegal zo veelzeggend. De taal die veel mensen dagelijks gebruiken, verschijnt nauwelijks op de plaatsen waar macht, onderwijs en bestuur zichtbaar worden gemaakt. Frans staat op de gevels, de formulieren en de schoolborden. Wolof leeft op straat, in gesprekken, in families en in het dagelijks verkeer, maar krijgt in de officiële ruimte veel minder plaats.

Zoals Ingrid Piller (2017) stelt, weerspiegelen taalkeuzes in de publieke ruimte onderliggende taalideologieën. In het Senegalese taallandschap wordt Frans duidelijk gevaloriseerd als de taal van de staat, het onderwijs en maatschappelijke vooruitgang. Frans heeft in Senegal meer macht, omdat het de taal is van school, banen en officiële communicatie. Wolof wordt door veel mensen gebruikt en is sociaal gezien zeer belangrijk, maar geeft veel minder toegang tot formele mogelijkheden.

Daardoor ontstaat een scherpe kloof tussen de taal van het dagelijks leven en de taal van institutionele macht. Wie Frans beheerst, heeft meer kansen. Wie vooral Wolof spreekt, bevindt zich in een samenleving waarin de eigen dagelijkse taal minder gewicht krijgt op de plekken waar beslissingen worden genomen. Dat is geen neutraal taalverschil, maar een vorm van ongelijkheid die diep in het systeem zit.

Het taallandschap van Senegal laat zien dat de invloed van de koloniale tijd nog steeds doorwerkt. Hoewel het land politiek onafhankelijk is, is het officiële taalgebruik niet fundamenteel veranderd. Frans blijft de belangrijkste taal op scholen, in overheidscommunicatie en in veel publieke aanduidingen. Dat betekent dat succes en volwaardig meedoen in de samenleving nog steeds sterk verbonden zijn aan het beheersen van een koloniale taal.

Mijn eigen observaties maakten zichtbaar hoe diep deze taalideologie verankerd is in het dagelijkse leven. Taal is hier niet neutraal. Taal wijst aan wie toegang krijgt, wie wordt gezien en welke geschiedenis nog altijd doorwerkt in het heden.