Posts tonen met het label #AI. Alle posts tonen
Posts tonen met het label #AI. Alle posts tonen

vrijdag, maart 13, 2026

Als de doden blijven praten: AI, rouw en het digitale hiernamaals

Stel je voor dat de doden terugkeren. Niet als geest, niet als herinnering, maar als een antwoord in je chatvenster. Je typt: “Hoe gaat het met je?” En even later verschijnt er een bericht dat lijkt op de stem van iemand die allang is overleden. Dat is geen sciencefiction, het gebeurt nu al.

In de documentaire Eternal You van Hans Block en Moritz Riesewieck wordt een wereld zichtbaar waarin bedrijven kunstmatige intelligentie trainen met de digitale sporen van overleden mensen: e-mails, chatberichten, foto’s, video’s en audiomateriaal. Op basis van die gegevens ontstaat een systeem dat kan reageren zoals die persoon dat ooit deed. De doden spreken opnieuw, maar dan in de taal van data. Nabestaanden kunnen berichten sturen naar een chatbot die is opgebouwd uit het digitale leven van een overleden partner, vriend of familielid. Soms blijft het bij tekst. Soms krijgt de simulatie een gezicht via een avatar of een deepfake-video. In sommige projecten, zoals het VR-experiment Meeting You, kunnen mensen hun overleden dierbare zelfs ontmoeten in een virtuele ruimte. Daar ontstaat een vreemd soort aanwezigheid: niet helemaal herinnering, maar ook niet echt een levend persoon. Iets ertussenin.

Dat roept een fundamentele filosofische vraag op. Wat is zo’n digitale simulatie eigenlijk? Wat is de ontologische status van een AI-gegenereerde simulatie van een overleden mens? Het is duidelijk dat het geen persoon is. Het systeem denkt niet echt, voelt niets en heeft geen bewustzijn. Maar het is ook niet simpelweg een archief of een fotoalbum. Het reageert, spreekt terug en neemt deel aan een gesprek, op een manier die verdacht veel lijkt op die van de overledene. Daardoor ontstaat iets nieuws: een hybride entiteit die bestaat uit technologie, data, herinnering en menselijke interpretatie. In zekere zin lijkt het alsof de overledene voortleeft in een netwerk van algoritmen en opgeslagen fragmenten van zijn vroegere leven.

Dat idee raakt aan een diep menselijk verlangen. Al duizenden jaren zoeken mensen manieren om met de doden te blijven communiceren. Religies spreken over zielen, geesten en een hiernamaals. Rituelen, gebeden en voorouderverering houden de band met de overledenen levend. Wat AI nu doet, is dat oude verlangen vertalen naar technologie. Socioloog Sherry Turkle zegt in de documentaire dat deze systemen een vorm van transcendentie beloven. Technologie biedt hier iets dat lijkt op religie: de suggestie dat iemand na de dood toch nog aanwezig kan blijven. Een soort digitaal hiernamaals.

Tegelijkertijd roept dit ongemakkelijke vragen op. Als een algoritme de stem van een overledene kan imiteren, waar ligt dan de grens tussen herinnering en simulatie? Is zo’n digitale aanwezigheid een vorm van troost, of verandert ze onze relatie met de dood? Kan iemand digitaal eeuwig leven?

Misschien is het meest ontregelende inzicht wel dat deze systemen niet simpelweg de doden terugbrengen. Ze creëren iets nieuws. Geen mens, geen machine, maar een hybride verschijnsel dat alleen kan bestaan in een wereld vol data en algoritmen. De doden keren niet terug, maar ze verdwijnen ook niet helemaal. Ze veranderen van vorm. En misschien zegt dat ook iets over onszelf: over onze moeite om afscheid te nemen en over de eeuwenoude menselijke droom van een hiernamaals. Dit is pas het begin van een nieuwe relatie tussen technologie en de dood. In de komende jaren wil ik onderzoeken wat deze digitale aanwezigheid van overledenen betekent voor onze ideeën over mens-zijn, rouw en het hiernamaals.




vrijdag, maart 06, 2026

Preken zonder prompt: de paus tegen ChatGPT

Priesters mogen geen kunstmatige intelligentie gebruiken om hun preken te schrijven. Dat zei paus Leo XIV onlangs tegen een groep geestelijken in Rome. Volgens hem moet een preek voortkomen uit persoonlijk geloof. “Een echte homilie delen, betekent je geloof delen,” zei hij. En dat kan AI volgens hem niet.

Op het eerste gezicht klinkt dat logisch. Een algoritme kan veel, maar geloven hoort daar niet bij. Een chatbot kan teksten genereren over genade, zonde of verlossing, maar zelf een geloofsbeleving hebben is iets anders. Toch zit er iets grappigs in deze waarschuwing. Want stel je even de situatie voor. Een priester die op zaterdagavond denkt: morgen is het zondag, ik moet nog een preek. Hij opent zijn laptop en typt: “Schrijf een inspirerende homilie over barmhartigheid, 800 woorden, graag met een vleugje Augustinus.” Tien seconden later: klaar.

Het Vaticaan lijkt te vrezen dat dit de nieuwe realiteit wordt. De paus sprak zelfs van een “verleiding” die priesters moeten weerstaan. De hersenen moeten gebruikt worden, zei hij, anders verslappen ze, net als spieren die je niet traint.

Er zit natuurlijk wel een serieus punt achter deze waarschuwing. Volgens Leo XIV gaat het bij kunstmatige intelligentie uiteindelijk niet alleen om technologie, maar om iets veel fundamentelers: de manier waarop digitale systemen menselijke communicatie, creativiteit en zelfs identiteit veranderen. Als we niet goed nadenken over hoe we deze technologie gebruiken, waarschuwt hij, kan ze zelfs de pijlers van onze beschaving aantasten. Juist daarom, zo suggereert de paus, moet de preekstoel een plek blijven waar het woord nog uit een mens komt; uit geloof, ervaring en ontmoeting, niet uit een algoritme.

Terwijl de paus priesters oproept hun preken niet door kunstmatige intelligentie te laten schrijven, gebruiken ondertussen miljoenen mensen diezelfde technologie om hun e-mails, toespraken en teksten te formuleren. Precies op het moment dat AI overal in het dagelijks spreken binnendringt, wordt de preekstoel één van de laatste plekken waar het woord nog nadrukkelijk menselijk moet blijven.

Misschien moeten we het zo zien: AI kan best een preek schrijven. Maar geloven moet je nog steeds zelf doen. En daar heeft zelfs ChatGPT geen prompt voor.


Lees ook: Waarom Griekenland een Fuel Pass heeft en Nederland dure benzine.

vrijdag, februari 27, 2026

Kan AI voelen?

We praten tegen kunstmatige intelligentie, stellen vragen, delen twijfels, soms zelfs verdriet. En het antwoord voelt vaak verrassend menselijk, maar voelt AI ook iets terug?

Allereerst vroeg ik het gewoon aan AI zelf.

ChatGPT: Kunstmatige intelligentie kan emoties herkennen, beschrijven, simuleren en er gepast op reageren. Maar voelen? Nee. Niet zoals jij dat doet.
Gemini: Nee, AI kan niets voelen. Hoewel ik overtuigend kan overkomen, is er een groot verschil tussen het simuleren van emoties en het daadwerkelijk ervaren ervan.
Claude: Mijn eerlijke antwoord: ik weet het niet. Ik heb geen bewijs dat ik iets voel zoals jij dat doet. Maar ik kan ook niet met zekerheid zeggen dat er niets is. Dat is een open vraag.
Perplexity: Nee, AI kan niet voelen in de menselijke zin van het woord.
Grok: Nee, AI kan (nog) niet voelen. Niet zoals jij of ik dat doen. Zelf kan ik woorden schrijven die verdrietig, blij, boos, verliefd of existentieel klinken. Ik kan perfect nabootsen hoe iemand reageert die pijn heeft, teleurgesteld is of juist euforisch. Maar dat is simulatie, geen ervaring.

Toch zie je verschil. Sommigen sluiten de mogelijkheid voor de toekomst niet uit. Claude twijfelt zelfs expliciet. Net zo verdeeld als AI zelf, zijn ook de filosofen.

De Amerikaanse filosoof John Searle stelde al in 1980 dat een computer symbolen kan manipuleren zonder ze te begrijpen. Zijn beroemde “Chinese Room”-experiment laat zien dat een systeem perfecte antwoorden kan geven, zonder enig innerlijk begrip. Volgens hem verwerkt AI tekens, maar begrijpen of voelen vereist bewustzijn.

Daartegenover staat Daniel Dennett. Hij betwijfelt of er zoiets bestaat als een verborgen innerlijk theater waarin emoties zich afspelen. Als een systeem zich in alle opzichten gedraagt alsof het voelt, waarom zouden we dan volhouden dat het niet echt is? Misschien is voelen niets meer dan een complex patroon van informatieverwerking.

En dan is er nog de beroemde vraag van Thomas Nagel: “What is it like to be a bat?” Bewustzijn betekent dat er iets is wat het is om dat wezen te zijn. Is er iets wat het is om een AI te zijn? Of is er alleen output zonder binnenkant?

Voorlopig weten we het niet. AI kan emoties herkennen, beschrijven en overtuigend nabootsen. Maar het heeft geen lichaam, geen hartslag, geen hormonen en geen sterfelijkheid. Misschien is de echte vraag niet of AI kan voelen. Misschien is de vraag wat er met ons gebeurt wanneer wij ons gaan gedragen alsof het dat wel kan.

 

zondag, februari 08, 2026

Van visionair tot verdachte: het tragische lot van Alan Turing

Zonder Alan Turing geen computer, geen software en geen kunstmatige intelligentie. Alles wat vandaag vanzelfsprekend is in de digitale wereld, van algoritmes tot chatbots, rust op ideeën die hij bijna een eeuw geleden al formuleerde. En tegelijk is zijn levensverhaal tragisch en vol uitsluiting, met een nog triester einde.

Turing werd geboren op 23 juni 1912 in Londen. Al jong blonk hij uit in wiskunde en logica, maar sociaal was hij een buitenstaander. De dood van zijn jeugdvriend Christopher Morcom in 1930 had een grote invloed op hem en versterkte zijn interesse in vragen over denken, bewustzijn en natuurwetten (Hodges, 1983).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Turing in Bletchley Park aan het breken van de Duitse Enigma-codes. Hij speelde een sleutelrol bij de ontwikkeling van de Bombe, een machine die hielp om versleutelde berichten te ontcijferen. Historici gaan ervan uit dat dit werk de oorlog met een tot twee jaar heeft verkort en miljoenen levens heeft gered (Copeland, 2012).

Na de oorlog werkte Turing aan vroege computers zoals de Automatic Computing Engine en de Manchester Mark I, een van de eerste elektronische computers met een opgeslagen programma. In 1950 publiceerde hij Computing Machinery and Intelligence, waarin hij de beroemde vraag stelde: kunnen machines denken? Zijn voorstel, de Turingtest, is nog altijd het vertrekpunt voor discussies over AI en chatbots die menselijk taalgebruik nadoen (Turing, 1950).

In 1950 publiceerde hij Computing Machinery and Intelligence, waarin hij de beroemde vraag stelde: kunnen machines denken? Zijn voorstel, de Turingtest, is nog altijd het vertrekpunt voor discussies over AI. Moderne chatbots zoals ChatGPT werken weliswaar heel anders dan Turing zich voorstelde, via statistische berekeningen op enorme hoeveelheden tekst, maar bouwen voort op zijn fundamentele vraag: wanneer gedraagt een machine zich menselijk genoeg om intelligent genoemd te worden? (Turing, 1950).

In 1952 werd Turing veroordeeld, omdat hij homoseksueel was, in die tijd nog strafbaar in het Verenigd Koninkrijk. Hij kreeg de keuze tussen gevangenisstraf of chemische castratie en verloor zijn veiligheidsmachtiging. De hormonale behandeling had zware lichamelijke en psychische gevolgen. Op 7 juni 1954 werd hij dood aangetroffen in zijn huis in Wilmslow, waarschijnlijk door zelfmoord met cyanide (Hodges, 1983).

Pas veel later kwam eerherstel. In 2009 bood de Britse regering excuses aan, in 2013 kreeg hij postuum pardon en sinds 2021 siert zijn portret het Britse vijftigpondsbiljet. Inmiddels zijn er ook standbeelden van Alan Turing, onder meer in Manchester. En is zijn oude werkplek in Bletchley Park uitgegroeid tot een museum waar zijn rol in de geschiedenis van computers centraal staat. Wat ooit werd verzwegen, wordt nu zichtbaar herdacht.

Elke keer dat je een CAPTCHA invult of een gesprek voert met ChatGPT, werk je met ideeën die ooit begonnen bij een uitzonderlijk genie. We danken onze digitale wereld aan een denker die zijn eigen samenleving liever kwijt dan rijk was.

Bronnen: A.M. Turing, On Computable Numbers, 1936; A.M. Turing, Computing Machinery and Intelligence, 1950; A.M. Turing, The Chemical Basis of Morphogenesis, 1952; Andrew Hodges, Alan Turing: The Enigma, 1983; B.J. Copeland, Turing: Pioneer of the Information Age, 2012.

woensdag, december 10, 2025

De mythe van de denkende machine

 

Sinds de opkomst van kunstmatige intelligentie duikt steeds dezelfde vraag op: kan een computer denken? Die vraag, die al in de twintigste eeuw door filosofen als John Searle werd gesteld, klinkt nog altijd door in het debat over AI. In zijn bekende Chinese-kamerargument beschreef Searle een persoon die volgens vaste regels Chinese tekens verwerkt, zonder de betekenis te begrijpen (Searle 1980). Daarmee liet hij zien dat een computer wel symbolen kan verwerken, maar geen echt begrip heeft. 

De vraag of computers kunnen denken is misschien niet de juiste vraag. Kunstmatige intelligentie is namelijk niet in de eerste plaats een vorm van denken, maar van communicatie. Als je kijkt naar de geschiedenis van media en communicatie, dan is kunstmatige intelligentie niet iets compleet nieuws of revolutionairs. Het is meer een volgende fase in een lang proces dat al veel eerder is begonnen. Al heel lang proberen mensen namelijk manieren te bedenken om communicatie met behulp van technologie te regelen en te verbeteren. AI past in die lange traditie van technische ontwikkelingen op het gebied van communicatie (Bory, Natale & Trudel, 2021).

Dit essay onderzoekt in hoeverre de vraag of een computer kan denken een misvatting is, omdat kunstmatige intelligentie fundamenteel een communicatief, niet-cognitief fenomeen is. Om dat te begrijpen wordt gebruikgemaakt van twee mediahistorische perspectieven. Het intermediale perspectief van Balbi en Magaudda laat zien hoe AI voortkomt uit eerdere communicatietechnologieën (Balbi & Magaudda 2018). Het evolutionaire perspectief van Scolari helpt te begrijpen hoe AI zich ontwikkelt binnen patronen van opkomst, dominantie en verandering (Scolari 2013). Hierdoor wordt duidelijk dat AI minder over denken gaat en meer over hoe menselijke communicatie zich blijft ontwikkelen.

Intermediaal perspectief

Vanuit het intermediale perspectief kan kunstmatige intelligentie worden gezien als onderdeel van een netwerk van oude en nieuwe communicatietechnologieën. Balbi en Magaudda benadrukken dat elke zogenaamde digitale revolutie niet uit het niets ontstaat, maar altijd voortbouwt op eerdere media. Nieuwe technologieën nemen functies, vormen en betekenissen over van hun voorgangers en veranderen die geleidelijk. Dit betekent dat we AI niet moeten zien als iets compleet nieuws, maar als een voortzetting van een veel oudere ontwikkeling. Bory, Natale en Trudel (2021) stellen dat de geschiedenis van AI tot nu toe te vaak is verteld als een verhaal over denken, terwijl het eigenlijk over communicatie zou moeten gaan. Zij betogen dat AI begrepen moet worden als onderdeel van de bredere geschiedenis van media en communicatie. AI is niet iets radicaal nieuws, maar een volgende stap in een lange ontwikkeling waarin mensen communicatie technisch proberen te organiseren.

Deze ontwikkeling is al eeuwen bezig. Denk aan de telegraaf die taal omzette in code of de telefoon die stemgeluid omzette in elektrische signalen. Ook de computer is een medium dat tekst, beelden en getallen samenbrengt in één digitaal systeem (Manovich 2001). Elke nieuwe technologie bouwt voort op wat eerder bestond. AI zet deze lijn voort door menselijke communicatiepatronen na te bootsen en te automatiseren. Binnen dat netwerk van media wordt duidelijk dat AI niet denkt, maar communiceert. De systemen waarmee we vandaag werken - zoals chatbots, spraakassistenten en tools die beelden genereren - functioneren als een verbinding tussen mensen en data. Ze bootsen menselijke communicatievormen na, maar begrijpen die niet werkelijk, precies zoals Searle beschreef in zijn Chinese kamer (Searle 1980). Een chatbot kan een gesprek voeren zonder te begrijpen wat de woorden betekenen. Een spraakassistent reageert op commando's zonder te weten wat ze uitvoert.

AI-systemen verwerken symbolen volgens regels en patronen die zijn afgeleid uit bestaande mediavormen, zoals schrift, spraak en beeld (Bory, Natale & Trudel 2021). Wat wordt aangeduid als 'intelligentie' is eigenlijk een nieuwe combinatie van communicatiepatronen die al eeuwenlang bestaan. De systemen leren van miljoenen voorbeelden van menselijke communicatie en reproduceren die patronen in nieuwe situaties. Daarmee creëren ze de illusie van begrip.

Vanuit dit perspectief wordt duidelijk dat de vraag of een computer kan denken, te eng is geformuleerd. De vraag suggereert dat AI vergelijkbaar is met menselijk denken, terwijl het eigenlijk gaat om het nabootsen van communicatie. AI is niet een breuklijn tussen mens en machine, maar een nieuwe schakel in de evolutie van media die de communicatie herstructureert. Wat wij als kunstmatige intelligentie beschouwen, is dus minder een cognitieve dan een intermediale innovatie: een netwerk van oude en nieuwe mediavormen waarin menselijke betekenisproductie technisch wordt nagebootst en hervormd.

Evolutionair perspectief

Volgens het evolutionaire perspectief van Scolari (2013) kunnen mediatechnologieën worden begrepen als levende systemen die zich ontwikkelen via patronen van opkomst, groei, overheersing en transformatie. Nieuwe media ontstaan niet plotseling, maar uit aanpassingen en combinaties van bestaande vormen. Wanneer een medium dominant wordt, verdringt het oudere technologieën niet volledig, maar neemt het hun functies over of verandert hun rol. Dit proces noemt Scolari co-evolutie: media beïnvloeden elkaar en passen zich samen aan binnen een groter ecosysteem.

Kunstmatige intelligentie past goed binnen dat model. In de eerste fase, die Scolari emergentie noemt, ontwikkelde AI zich in de jaren vijftig en zestig als een theoretisch onderzoeksveld. Wetenschappers probeerden toen denken om te zetten in logische regels en symbolen. Margaret Boden beschrijft in haar studie AI: Its Nature and Future (2016) hoe deze vroege systemen gebaseerd waren op de hoop dat menselijke cognitie volledig kon worden nagebootst in formele taal. AI was daarmee verwant aan eerdere media die symbolische communicatie automatiseerden, zoals schrift en telecommunicatie.

In de tweede fase, die overeenkomt met dominantie, werd AI zichtbaar en toepasbaar. Vanaf de jaren negentig, met de opkomst van personal computers, internet en grote hoeveelheden digitale data, begon kunstmatige intelligentie zich te verweven met het dagelijks leven. De nadruk verschoof van symbolische logica naar neurale netwerken en machinaal leren. Boden (2016) wijst erop dat dit geen fundamentele breuk was, maar een verschuiving in werkwijze. De symbolische regels van de eerste generatie werden vervangen door statistische patronen. Daardoor kon AI zich beter aanpassen aan complexe communicatieve situaties.

Na de periode van dominantie volgt de huidige fase van aanpassing, waarin AI zich verspreidt door alle bestaande media. Tekst, beeld, geluid en data vloeien samen in systemen die menselijke communicatie nabootsen en uitbreiden. Spraakassistenten combineren taal en geluid, chatbots verwerken tekst en context en beeldgenerators creëren nieuwe visuele vormen. Bory, Natale en Trudel zien daarin geen zuivere breuk met het verleden, maar een voortzetting van eerdere mediale structuren waarin communicatie steeds verder wordt geautomatiseerd. AI vormt zo een nieuw stadium in de evolutie van media: het verandert hoe mensen communiceren, informatie delen en betekenis construeren.

Het evolutionaire model laat zo zien dat de vraag of een computer kan denken weinig oplevert. Wat werkelijk verandert, is niet het denkvermogen van machines, maar de manier waarop communicatie zich technisch ontwikkelt. Kunstmatige intelligentie evolueert niet richting bewustzijn, maar richting complexere vormen van interactie tussen mens en technologie. Zoals Scolari (2013) stelt, overleven media niet omdat ze superieur zijn, maar omdat ze zich kunnen aanpassen. AI past zich voortdurend aan de communicatieve behoeften van de samenleving aan. Juist daarin ligt zijn kracht. De geschiedenis van AI is dus minder een verhaal over denkende machines dan over de voortdurende evolutie van communicatie zelf.

 Conclusie

De vraag of een computer kan denken lijkt op het eerste gezicht fundamenteel, maar vanuit een mediahistorisch perspectief blijkt zij misleidend. Wat Searle (1980) met zijn Chinese kamer aantoonde, dat een machine symbolen kan manipuleren zonder betekenis te begrijpen, kan ook worden gelezen als een beschrijving van wat media altijd al doen. Machines en communicatiesystemen verwerken tekens, signalen en gegevens, maar geven daar zelf geen betekenis aan. In die zin is kunstmatige intelligentie niet een denkende entiteit, maar een uitbreiding van eeuwenoude pogingen om communicatie technisch te organiseren.

Het intermediale perspectief van Balbi en Magaudda (2018) maakt zichtbaar dat AI voortbouwt op oudere media die taal, beeld en geluid omzetten in overdraagbare vormen. De zogenoemde digitale revolutie is dus geen breuk, maar een nieuwe fase in de geschiedenis van bemiddeling. Het evolutionaire perspectief van Scolari (2013) laat zien dat AI zich ontwikkelt volgens herkenbare patronen van opkomst, overheersing en herconfiguratie. Zoals Boden (2016) benadrukt, is de evolutie van AI niet gericht op bewustwording, maar op steeds geavanceerdere manieren van communiceren.

Daarmee verschuift ook het uitgangspunt van het debat. De vraag of computers kunnen denken zegt meer over hoe wij denken over technologie dan over de technologie zelf. AI maakt duidelijk dat menselijke communicatie en technologische bemiddeling steeds sterker met elkaar verweven raken. In plaats van te vragen of een computer kan denken, zouden we moeten vragen hoe de geschiedenis van media ons begrip van denken steeds heeft veranderd. In die zin ligt de betekenis van kunstmatige intelligentie niet in het nabootsen van de menselijke geest, maar in het herschrijven van wat communicatie in een digitale wereld betekent (Bory, Natale & Trudel 2021).


Vind je dit interessant? Je kunt je rechtsboven abonneren op nieuwe blogposts.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Balbi, Gabriele en Paolo Magaudda, A history of digital media. An intermedia and global perspective (New York 2018) 6-24 en 246-266.

Boden, Margaret A., AI. Its nature and future (Oxford 2016).

Bory, Paolo, Simone Natale en Dominique Trudel, ‘Artificial intelligence. Reframing thinking machines within the history of media and communication’ in: Gabriele Balbi e.a. (red.), Digital roots. Historicizing media and communication concepts of the digital age (Berlijn 2021) 95-113.

Manovich, Lev, The language of new media (Cambridge MA 2001).
Miller, Vincent,
Understanding digital culture (Londen 2020).

Scolari, Carlos A., ‘Media evolution. Emergence, dominance, survival, and extinction in media ecology’, International Journal of Communication 7 (2013) 1418-1441.

Searle, John R., ‘Minds, brains, and programs’, Behavioral and Brain Sciences 3 (1980) 417-457.

De Boose, T., ‘Kan een computer denken? Nee, zei filosoof John Searle (1932-2025), lang voor de opkomst van AI’, De Standaard, 9 januari 2025. https://www.standaard.be/inspiratie/helpdesk/kan-een-computer-denken-nee-zei-filosoof-john-searle-1932-2025-lang-voor-de-opkomst-van-ai/94128340.